maandag 3 mei 2010

Vier mei



Het is half acht en er klinkt tromgeroffel op het plein.

Mijn vader heeft net de vlag uitgehangen, niet helemaal omhoog. Hij wappert sloom voor het raam van mijn kamertje.
Het tromgeroffel komt steeds dichterbij en bezorgt me kippenvel. Er klopt iets niet in het ritme van de slagen. De tranen schieten in mijn ogen, maar ik huil niet. De opgesloten tranen maken rechtsomkeert en verstoppen mijn keel. Ik slik. 
Het tromgeroffel is nu onheilspellend dichtbij. Ik ga uit bed en kijk uit het raam. De trommelaars komen net de hoek om. En er achter aan lopen een heleboel mensen met sombere gezichten en donkere kleren. Ze dragen bloemen en kransen, maar het blijft een speciaal verdrietig gezicht.

Plotseling ontdek ik mijn grootmoeder. Ze heeft haar zondagse jas aan en een plechtige zwarte hoed op. Ze loopt langzaam mee met de mensen die allemaal star voor zich uit kijken. Ik klop op het raam maar ze hoort het niet en ik durf ook niet harder te kloppen. Ik mag alleen wakker blijven als ik stil ben.

Ik pak mijn boek weer op, maar ik durf niet te lezen. Het is een vrolijk boek en vrolijk is niet goed vandaag. Behalve het steeds minder luide getrommel hoor ik niets. Er is geen verkeer op straat, ik hoor de treinen niet.
Ik denk dat er iets mis is. 
Angstig kruip ik uit bed en sluip naar het trapgat en gelukkig hoor ik gedempte stemmen in de woonkamer. De tranen, die nog steeds in mijn hoofd zitten, glijden langzaam naar buiten. Luidruchtig haal ik mijn neus op.
Mijn moeder heeft het gehoord en roept dat ik naar bed moet gaan en dat ze dadelijk de vlag wel binnenhaalt. Haar stem klinkt hard in de stilte

Na een tijdje hoor ik mijn vader naar boven komen, hij hoest altijd op de trap.
Hij komt zachtjes mijn kamer in en ik zie door mijn oogharen dat hij de vlag eerst helemaal omhoog hijst en daarna naar binnen haalt. Terwijl hij de vlag opvouwt, zucht mijn vader een vlaag van verdriet mijn kamertje in.


Ik doe net of ik slaap, maar mijn vader zegt zachtjes welterusten en gaat weer naar beneden. Het lijkt een soort geheimpje; hij weet dat ik niet slaap, maar hij verwacht ook geen antwoord. Waarschijnlijk hebben wij geheimpjes, omdat mijn broers geen vlaggenstok voor hun raam hebben. 


En morgenochtend komt hij weer de vlag hijsen maar dan helemaal naar boven. 
Dan zijn er weer trommelaars maar vrolijke van Jubal, het muziekkorps. 
Dan heb ik geen tranen in mijn keel maar vlinders in mijn buik.
Want onze vlag en alle andere vlaggen in de straat én de muziek zijn speciaal voor mij. 
Dan lacht mijn vader en geeft me een kus.

Want morgen ben ik jarig, op Bevrijdingsdag!



©Gavi Mensch
Dordrecht,1958
Jerez, Spanje: 4 mei 2005, 20.05u.
Maastricht, 4-5-2010

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen