Posts tonen met het label pvv. Alle posts tonen
Posts tonen met het label pvv. Alle posts tonen

zondag 15 november 2015

Bloedende aarde


.
Soms lijkt het alsof ik de hele dag meegesleurd word in het getouwtrek van agressoren en andere agressoren en de volgers van agressoren. De bewijzen van zogenaamd gerechtvaardigde haat vliegen me om de oren. De zielige martelingen en nog zieligere martelingen. Het racisme en het fascisme, het super-nationalisme, het neonazisme, de oorlogs- en wapenfinanciers, de aanzetters, de landjepikkers en de bemoeiallen, de aan beide of meer zijden leverende multinationals. Ik heb het al een tijdje gehad met al die onmogelijke dwingelanddwazen.

Ik geloof niets, ik geloof bijna niets. Ik weet en ik weet niet genoeg. Maar van meer geloven en weten word ik ( en volgens mij niemand) wijzer als het gaat om al die enig zaligmakende geloven en wijsheden. Al jaren schud ik mijn hoofd en al jaren keur ik niets goed van vechtjassen. Al jaren beweer ik dat kinderen niet gebaard worden om te sterven voor een god, een heerser of een 'vader'land. Ik heb besloten me niet meer te laten ophitsen om te oordelen.

Ik huil om doden die niet pijnloos en ongepland zijn gestorven, om doden die 5 minuten ervoor nog gezond waren. Ik heb ooit beloofd om te zorgen voor de kwaliteit van leven en daarmee ook de kwaliteit van sterven. Ik ben boos om alles wat daar tegenin druist. En boos op mensen die wel geld storten in fondsen van kerken en geloven en niet in fondsen om kinderen en volwassenen beter te maken. Alsof je hun god kunt betalen voor het beter maken van een kind. Ik ben woedend om al die miljarden die uitgegeven worden aan oorlogstuig en niet aan educatie of de ontwikkeling van medicijnen.

Ik ga nog vaker proberen om me afzijdig te houden van de rampenveroorzakers.
De rampen gaan me aan het hart en ontnemen me de lust in veel zaken. Omdat de veroorzakers hopeloos dom, ziek en gestoord lijken.



Bloedende aarde, origineel in het bezit van J.W, de Meij

Diep in mij is een bron die altijd borrelt om excuses te zoeken en soms te vinden in een grootse mondiale domheid: veel (mannen) begrijpen niet dat de aarde van ons allemaal is, dat je ze zee niet kunt opdelen in territoriale wateren en dat het luchtruim helemaal niet bestaat, de lucht boven de aarde is de lucht boven de aarde, verder niets. Dus vervuilen we onze zee, we vervuilen onze lucht en bovendien versjitteren we onze aarde, die flora en fauna waar ik me persoonlijk zoveel beter mee kan. 



Ik heb kinderen gebaard en opgevoed, ik heb mijn kleinkinderen bij me alsof ze van mij zijn, ik houd van de mijnen, mijn vriendinnen en vrienden en ben daar ruimhartig en loyaal in. 
Ik blijf steeds vaker uit de buurt van de rest en dat is niet voor niets. Ik vind de bezitterige domheid of de domme bezitterigheid steeds vaker onaanvaardbaar.

Volgens mij ligt de oplossing nog steeds in respect en promotie van hoe leuk het is om iets goed te doen, voor anderen, voor jezelf. En het nee zeggen tegen alles wat zweemt naar ophitsing en kantenkiezen. Gewoon nee, NEE, ik wil er niets over horen, houd alsjeblieft op met je gestook. Russell Brand heeft het over liefdevolle tolerantie van elkaar. Moeilijk. Maar met een beetje goede wil moet dat lukken. En als je de haatzaaiers niet liefdevol kunt tolereren, negeer hen dan.

Laten we daar mee beginnen, nu. We negeren de haatzaken die voornamelijk van de politiek gerichte media komen en we maken alleen nog melding van wat wel goed gaat. Ik ga deze propaganda, van oorlog en mishandelingen van alle kanten, negeren en uit mijn TL's verwijderen. Ik lees wel het nieuws en denk daar het mijne van. Ik ben tegen geweld en ophitsen en het in stand houden van haat. Ik ben tegen de PVV en tegen alle andere haatzaaiers. Hun domheid verpest ons leven. Het woord tolerantie is hen vreemd. Zolang dat kan negeer ik hen.

Ik weet wel wat er gebeurt en wil daar geen deel van uitmaken.




©Gavi Mensch
Centrum van de Aarde
15-11-2015


.




vrijdag 5 februari 2010

Krijsers.




Op het speelpleintje voor mijn huis krijst sinds enkele uren een jongetje van een jaar of vier. Als hij niet krijsend huilt, dan geeft hij krijsend bevelen aan de andere kinderen, waarvan sommigen zich angstig hebben opgesteld aan de rand van het veldje, ver weg van de speeltoestelletjes die het jongetje als vanzelfsprekend in beslag heeft genomen. Allemaal. Als een van de andere kinderen een poging waagt om het springveren hobbelpaard te bestijgen, zet het kind een keel op. Ik hoor een enkel ander kind, op afstand, een poging wagen om hem tot rede te brengen: ”We mogen toch allemaal wel even op het paard, het is voor iedereen, ik vind jou niet zo aardig”. Des te vriendelijker ze proberen te praten, des te luider wordt het schreeuwen van het kleine tirannetje.

Een heel verlegen meisje dat met haar vinger in haar mond het spektakel vanuit een veilig hoekje aanschouwt wordt door de schreeuwlelijk aangewezen als de enige die met hem mag spelen op de toestellen, maar ze wil niet, slaat haar ogen neer en schudt haar hoofd. Het ventje ontsteekt weer in woede en krijst dat ze moet! Huilend loopt het meisje van het pleintje af en gaat de voortuin in van het huis waar zij woont. Het jongetje loopt achter haar aan en geeft haar een schop tegen de benen precies op het moment dat haar moeder naar buiten komt. “Dat mag niet”, zegt de moeder, “dat is niet aardig. Anoukje mag ook spelen en jij mag niet schoppen”. Het jongetje kijkt haar ongelovig aan, loopt op haar af, trekt Anouk in het voorbijgaan aan haar haar, zet zijn handjes in zijn zij en gilt dan naar de moeder:”Stomme hoer” en loopt dan rustig de voortuin weer uit. De moeder trekt haar dochtertje mee naar binnen en doet de deur dicht.


Ondertussen hangen, net zoals ik aardig wat mensen uit hun raam om te kijken waar al het lawaai vandaan komt. De andere kinderen staan met open mond te kijken, de meeste lijken verbaasd over de durf van het monstertje, één zegt stoer dat hij het aan de moeder van het jongetje gaat vertellen en loopt vervolgens weg. Het ventje zet het weer op een krijsen en trapt een paar keer tegen de prullenbak die aan het hekje hangt en gaat dan triomfantelijk op het hobbelpaard zitten. De andere kinderen bewegen zich amper en lijken af te wachten wat er nog meer gaat gebeuren.

Dan komt de moeder van het jongetje aangelopen, trekt hem ruw van het hobbelpaard af zodat hij op de grond valt en ja hoor, hij krijst weer. Hij schreeuwt van alles naar zijn moeder. De vocabulaire is geenszins die van een vierjarige; de moeder verblikt of verbloost niet. Ze zet, net zoals haar nazaat, haar handen in de zij en geeft hem antwoord met een zelfde schreeuwstem en het is duidelijk waar het ventje zijn woordenschat vandaan heeft.

Ik schaam me dat ik niet aangekleed ben en naar beneden kan gaan om nog te redden wat er te redden valt, de moeder kalmeren, het ventje kalmeren, aangeven dat er iets erg fout gaat, uitleggen wat er gebeurd is. Maar de moeder pakt het ventje aan een arm van de grond en zet hem op het hobbelpaard. Dan kijkt ze in het rond, eerst langs de kinderen en dan langs de ramen en de toeschouwers in de voortuinen en op straat. Dan zet ook zij het op een krijsen, tegen ons, of we geen tv hebben, of we het soms beter weten. En dan tegen de kinderen: ”Als jullie hem pesten wordt ie zó, eigen schuld, zoek het maar uit! “ En dan draait ze zich om en loopt weg. Het ventje zit met een stralende glimlach op het hobbelpaard en kijkt triomfantelijk in het rond. De andere kinderen pakken hun spullen en maken aanstalten om naar huis te gaan, waarschijnlijk om verslag te doen.

Eén moeder, echter, loopt naar het ventje toe, tilt hem rustig van het hobbelpaard zet hem op zijn beentjes, zakt op haar hurken, kijkt het beduusde jongetje in de ogen en zegt: “Wij hebben vandaag patatjes en Peter mag zijn vriendjes meebrengen. Ben jij een vriendje van Peter?” Peter die half achter haar staat schudt zijn hoofd, maar het ventje zegt van ja. Dan zegt de moeder dat hij dan maar thuis moet gaan om te vragen of hij bij Peter mag eten. Maar het ventje kijkt haar een beetje sip aan en zegt dat hij dat niet hoeft te vragen. De moeder van Peter glimlacht en zegt dat hij dat toch moet doen en dat zijn moeder hem maar even moet brengen, anders is ze misschien ongerust. Het ventje staart haar nu ongelovig aan en schreeuwt: “Ongerust, mijn moeder is uitgerust, die ligt de hele dag op de bank. Mijn moeder gaat me niet naar jouw huis brengen, trut!” En met die woorden laat hij de verblufte moeder staan en loopt weg.

Peter trekt aan zijn moeder en wil duidelijk weg van het pleintje. De andere kinderen kijken nog even in de richting waarin de schreeuwlelijk is gelopen en nemen dan het speelveldje weer in beslag. Ik steek mijn duimen omhoog naar de moeder van Peter en ze lacht een beetje schuchter. “Goed gedaan”, zeg ik. Ze haalt een beetje vertwijfeld haar schouders op en zwaait even. Dan loopt ze weg, met Peter aan haar hand.

Ik bewonder inventieve moeders, ze zijn de enigen die de strijd met zo’n kleine Wilders aankunnen en aandurven. De rest is ingedut of angstig.

Zo werkt dat nu in Nederland.





©Gavi Mensch
Utrecht, 6-6-09.

©All rights reserved 2009

.