Posts tonen met het label 2009. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 2009. Alle posts tonen

donderdag 7 augustus 2014

Leven in een notendop 21





Een pubermeisje is het, met nukken, zoals dat hoort. 
Hoe kun je anders uitvinden wie of wat je bent? 

Ze is verslaafd aan van alles en woont sinds kort weer thuis bij haar vader. Haar moeder woont in de buurt en heeft MS en een aangepaste woning; ze wordt verpleegd door haar ex vriend. 

Mieke is boos op het leven, op haar gescheiden ouders, op de ziekte van haar moeder en op haar begeleiders. 
Haar behandeling bestaat niet, de begeleider neemt alleen papieren met haar door. 
Van het frequente blowen schiet ze in psychoses en als ze weer in het heden valt, wil ze niet meer leven. 

Misschien heeft Mieke alleen een soort oma nodig? 
Uithuilen en samen opnieuw proberen?







Gavi Mensch 
Utrecht, 21-7-2009 
Uit het archief:  Levensverhalen in 120 woorden
All rights reserved 2014



zaterdag 22 maart 2014

De reeds gepubliceerde verzameling van het peroxideding


De reeds gepubliceerde verzameling van het peroxideding:





















©Gavi Mensch
Nederland BV, 22-3-2014



Voor al mijn blogs geldt ©Copyright en zijn alle rechten gereserveerd. (2009-2014) Voor eventuele overname van blogs of delen daarvan kan men een mail sturen naar gavimensch@hotmail.com. Zonder specifieke toestemming is overname niet mogelijk!
Voor commercieel gebruik vraag ik bovendien een geldelijke bijdrage.
Voor niets gaat alleen de zon op.

donderdag 7 februari 2013

Ruth




Dertig jaar jong en dertig jaar oud.

Een leuke jonge vrouw om te zien, qua uiterlijk. Helaas blowde zij de hele dag door thuis, kon geen invulling geven aan haar dag. Seksueel misbruik en door haar moeder aangeleerde ongeremdheid, altijd op zoek bij de verkeerde naar die zo noodzakelijke veiligheid. Toen ze bij ons kwam was ze op alle fronten verwaarloosd, zwaar depressief en met een “zwaar” etiket. Een muur om haar heen, nog dikker en hoger dan die van Berlijn en erachter de opeenstapeling van narigheden. Psychiatrische patiënte.

Vijf weken lang alle zwakke plekken aangepakt om door de muur heen te komen. Nieuwe medicatie. Groepstherapeutische gesprekken. Elke dag een stukje assertiever, vooral tegen de medewerkers. Grenzen aangevend. Boos zijn om reële dingen. Strak begrenzen van haar negatieve houding. Ik bracht onzinnige ideeën naar voren waar ze dan om moest lachen. Ze werd weer wat creatiever.
Tekening Chawwa Wijnberg
Chawwawijnberg.nl
Af en toe ging ze een middag naar huis. Alleen, geen familie, weinig vriendinnen, geen vrienden, behalve die uit het gebruikerscircuit en die meed ze als de pest.

Heel alleen en  heel hard werken aan een onzekere toekomst. 

Het ging wel steeds beter met Ruth, maar de dag voordat zij naar huis zou gaan, kwam ze huilend vragen om een gesprek. Ze durfde niet naar huis. De kliniek was een veilig toevluchtsoord geweest.  Heel begrijpelijk, maar ze had alle fases doorlopen en het werd tijd om het zelf in praktijk te gaan brengen. Bange ogen en een gebogen hoofd. Grote tranen die op haar kleren drupten.

Ik ging voor haar zitten en voor ik het wist sloeg ze twee armen om mijn hals en huilde hoorbaar met haar hoofd op mijn schouder gedurende enige minuten. Toen keek ze me aan en zei:’Ik weet dat lichamelijk contact niet mag, maar het feit dat je je niet losgemaakt hebt, betekent voor mij dat je mij even belangrijker vond dan de regels. Eigenlijk was dit wat ik nodig had om naar huis te kunnen gaan. Eigenlijk had ik dit jaren geleden moeten doen, moeten kunnen doen, troost zoeken en vinden bij iemand die niets van mij wil. Ik zal je nooit vergeten”.

Ik ben haar en haar wilskracht  ook nooit vergeten. Ik kom haar nog wel eens tegen op de fiets en dan zwaait ze en werpt ondeugend een kushandje. Dan denk ik, stiekem, dat voor sommige mensen de regels niet goed zijn, of juist wel!




© Gavi Mensch,
Utrecht, juli 2009
Nederland BV, 7-2-2013

Eerder gepubliceerd in de Psy. Naam is  fictief.

©All right reserved 2009

zaterdag 11 augustus 2012

Feminisme: Nog steeds actueel


.


De huidige generatie vrouwen maakt zich maar mondjesmaat sterk voor haar rechten. Hopelijk laten de hieronder geplaatste,  geschreven en gesproken,  interviews met míjn grote voorbeeld Saskia Poldervaart een licht schijnen op de niet aflatende strijd voor gelijke rechten. Het is ,helaas, nog steeds erg nodig.  


Opgedragen aan mijn kleindochter, mijn dochter, de andere dochters en vriendinnen, hun dochters en buurvrouwen en collega's en echtgenotes. Aan alle vrouwen waar dan ook.


Hieronder het interview met Jaap Stam in de Volkskrant  waarvan ik enkele voor mij belangrijke uitspraken heb onderstreept:

'Je bent nooit te oud om te demonstreren'

Door Jaap Stam, 25/07/09, 00:00
Ze was jarenlang een belangrijke schakel in feministisch Nederland. Vlak voor haar dood – ze heeft hersenkanker – maakt Saskia Poldervaart de balans op....
Saskia Poldervaart (63) heeft een leven lang actie gevoerd. Vanaf eind jaren zestig tot begin jaren tachtig stond ze zo’n beetje dagelijks op de barricaden. Voor de democratisering van het wetenschappelijk onderwijs, tegen de Vietnamoorlog of om bevrijdingsbewegingen in de derde wereld te steunen. En, bovenal, voor de rechten van vrouwen.
Ze ging de straat op, sloot zich aan bij actiecomités, zamelde dekens in voor het verzet in Angola, roerde zich in de vakbond, bezette gebouwen, richtte scholingsgroepen op en sprak menigten toe. Ze ging de deur niet uit zonder pamflet en handtekeningenlijst. De ene keer tegen de bombardementen op Hanoi, dan weer voor Baas in eigen buik. Als eerste nam ze haar kind mee naar het werk; de crèche had geen plaats. Op de Nijmeegse universiteit schrokken ze zich rot.
Vanaf 1980 manifesteerde ze zich meer op wetenschappelijk gebied. Het werd een zoektocht naar alternatieven voor het traditionele gezin. Het proefschrift Tegen conventioneel fatsoen en zekerheid – Het uitdagende feminisme van de utopisch socialisten, meer dan honderd wetenschappelijke artikelen en een paar boeken waren het resultaat.
Haar actiebereidheid bleef groot. Waar veel wapenbroeders en -zusters afhaakten of op zijn minst inbonden, bleef Poldervaart haar idealen trouw. Opgewekt, niet verbeten of gelijkhebberig, maar wel standvastig.
Aan de vooravond van haar dood – Poldervaart heeft hersenkanker – blikt ze terug.

Haardotje
‘Ik was op een verjaardagsfeestje in de Jordaan, januari 1970, waar een pamflet van Dolle Mina rondging. Daarin stond: ‘Waar is oprechter trouw dan tussen man en vrouw’ – je weet wel, van Vondel – en daar voegde Dolle Mina aan toe: ‘Maar wie haalt het haardotje uit de gootsteen? Vrouwen zijn de witte negers van de wereld.’ Een paar mannen werden verschrikkelijk boos. Hoe halen ze het in hun hoofd, die wijven? Progressieve, aardige mannen hadden het ineens over wijven. Ik begreep niets van die woede, het leek wel haat. Ik was meteen nieuwsgierig en dacht: morgen ga ik langs bij Dolle Mina. Als het zoveel agressie opwekt, is er kennelijk iets aan de hand met die mannen. Zo ben ik in het feminisme gerold.
Feminisme is voor mij dat je je verzet tegen alle vormen van hiërarchische verhoudingen. Ik heb moeite met het feminisme van Heleen Mees, die alleen oog heeft voor de man-vrouwverhouding. Zij vindt dat allochtone vrouwen bij witte vrouwen thuis de boel kunnen schoonmaken, want witte vrouwen moeten hogerop; ze zijn te belangrijk om dat ‘laagwaardige werk’ te doen. Allochtone vrouwen zijn kennelijk pas later aan de beurt.
 
Truttenblad
Dolle Mina was leuk, geestig en ondeugend. Bij Margriet drongen we met emmers en poetslappen binnen en zijn we ramen lappend door het gebouw getrokken. ‘Poetsen, poetsen, poetsen, poetsen, want dat vindt Margriet de belangrijkste taak van de vrouw’, riepen we. Wij vonden Margriet een vreselijk truttenblad, met zijn receptjes en huishoudelijke tips.
Aan veel demonstraties voor de legalisering van abortus heb ik meegedaan. Ik had zelf een traumatische abortus achter de rug. Ik was 19, net in Amsterdam, net een studie begonnen, daar kon ik geen kind bij hebben. Mijn vriendje zei: sorry, mijn probleem is het niet, en nam de benen. Ik ben wel vijf, zes artsen afgegaan. Allemaal zeiden ze: ik kan u niet helpen, dat is dan 35 gulden voor het consult.
Ik schaamde me rot. Net op eigen benen, ik zou het allemaal zelf gaan doen, ik die alles aankon. Ik voelde me zo ellendig, dat ik dood wilde. Ik at niet meer en bleef in bed liggen. Een tante heeft me naar een arts gebracht, die me verder heeft geholpen. Uiteindelijk is het gelukt op psychische gronden, en tamelijk legaal. Het was een hel. Ik dacht: dit mag niemand ooit nog overkomen.
Met Dolle Mina heb ik meegewerkt aan een brochure over vrouwenbesnijdenis. Heel bescheiden. Wij hadden geen idee dat het veel later zo’n topic zou worden. We beschreven het gruwelijke gebruik en zeiden: we moeten ons niet op de borst roffelen dat wij zo progressief zijn, want de clitoris wordt in de seksuele voorlichting doodgezwegen. Meisjes wisten niet eens dat ze een clitoris hadden.
Het lefgozerige van Dolle Mina vond ik geweldig. Hadden we een zaal besproken bij de universiteit, bleek die te klein, gingen we in een grotere zaal zitten. Dat deden we gewoon. Niemand hield ons tegen. Ik weet niet of we ervoor betaald hebben. Niet bang zijn, dat idee is een beetje weg.
Ik heb verschrikkelijk veel gelachen. Het beeld van kortgeknipte kenaus in roze tuinbroeken, daar klopt niks van. Het was de tijd van de minirok, die droeg ik. Ik ging graag extreem gekleed. Als puber droeg ik al wijde petticoats die stijf van het stijfsel stonden. Opvallende pakken en gekke hoedjes, glim en tijgerprint – ik ben er dol op. Ik provoceer graag. Als je op de universiteit met die eindeloze, saaie gangen geen affiches op de deur mag hangen vanwege brandgevaar, trek ik mijn zilveren astronautenpak aan.
De bh had ik afgezworen. Het bh-loze tijdperk werd uitgeroepen om vrouwen uit het keurslijf te bevrijden. Ik vond het heel prettig zonder. Ik had ’m ook niet zo heel hard nodig, zo zwaar ben ik niet. Sinds ik ziek ben, draag ik er weer een. Chemokuren zijn een enorme aanslag op je lijf.
Een vrouw van het Namibisch Bevrijdingsleger, die ik bij een lezing tegenkwam, zei: ‘Ik heb begrepen dat jullie feministen allemaal je bh weggooien. Wij moeten vaak rennen om te ontsnappen aan het Zuid-Afrikaanse leger, dan springen onze borsten op en neer, en dat doet pijn. Kun je die bh’s niet opsturen?’ Dat heb ik een paar jaar gedaan. Bij elke bijeenkomst zette ik een doos bij de deur met daarop: bh’s voor Namibië. Die zat vaak stampvol.
De jaren zestig en zeventig waren mijn mooiste jaren. Het leven straalde me tegemoet. Het bruiste, het gonsde, alles zou anders worden. Studentenbeweging, Dolle Mina, al die actiegroepen, it was in the air, we stonden aan het begin van een betere maatschappij! Ik woonde illegaal op Kattenburg – dat dat zomaar kon, een huis illegaal bewonen; het heette toen nog geen kraken.

Provoboot
Provo vond ik spannend, maar de manier waarop ze met meisjes omgingen, verafschuwde ik. Als je als meisje bij provo wilde, was het wel handig als je een paar nachten op de provoboot had geslapen. Daar had je weinig keus met wie je naar bed kon gaan. Als je op de boot was geweest, was je lid. Bij provo moest alles kunnen. Hoe meer seks, hoe progressiever je was.
Ik was van het vrolijke actievoeren. Ik heb nooit met stenen gegooid, ben nooit gearresteerd. Ik had zelfs moeite met het schreeuwen van leuzen. Ik was fanatiek, maar niet dogmatisch. Ik ben altijd bereid naar anderen te luisteren.
Aan de discussies over de vraag tot welke leeftijd jongetjes met hun moeder mee mochten naar het vrouwencafé, heb ik niet meegedaan. Vond ik allemaal onzin. Dat was het radicaal-feminisme. Ik ben nooit anti-man geweest.
Veel van mijn medestrijders staken over naar de Communistische Partij, de CPN. Ik niet. Mijn ouders waren communist. Bij ons thuis hing Stalin in de huiskamer aan de muur. Toen Chroesjtsjov hem in de ban had gedaan, verdween hij naar de gang. Ik ging met mijn moeder naar bijeenkomsten van de Nederlandse vrouwenbeweging van de CPN. Daar was je klapvee. Wilde je discussie, dan moest je niet bij de CPN zijn.
Bovendien: Marx was een naar burgermannetje. Hij heeft vreselijke dingen gezegd over vrouwen. Fabrieksarbeidsters verloren hun vrouwelijkheid, die waren onbeschaafd, daar kankerde hij verschrikkelijk op.
Ik heb een behoorlijke tik gehad van de inval van de Sovjet-Unie in Hongarije in 1956. Ik woonde in Schagen; wij waren zo’n beetje de enige communisten. Het zei mij niks, ik was 11. De dag dat de Hongaarse opstand werd neergeslagen, keerde het hele schoolplein zich tegen me. Ik werd geschopt, bespuugd en geslagen, en de onderwijzers staken geen poot uit. Ik begreep er niets van. Huilend kwam ik thuis. Ja kind, zei mijn moeder, wij zijn communist.
Het woord revolutie schrikt mij af. Dat associeer ik met geweld, de Grote Kladderadatsch. Dat speelde voortdurend bij de CPN: op een gegeven moment grijpen wij de macht. Ik geloof niet in één Grote Breuk. Dat is gevaarlijk. Ik geloof meer in kleine stappen, ook al wil ik best radicaal zijn.
Ik kan me nog steeds opwinden. Waar ik heel erg boos over ben – geschokt, mag je wel zeggen – is dat veel van mijn feministische collega’s een werkster hebben. Hebben we dan het huishoudelijke-arbeiddebat in de jaren zeventig voor niks gevoerd? Huishoudelijke arbeid is belangrijk, vonden we. En nu ze ineens meer geld hebben, hoeven ze hun eigen wc niet meer schoon te maken.
Daar heb ik heel wat dames op aangesproken. Dan zeggen ze dat ze geen tijd hebben om te poetsen, omdat ze zo’n belangrijke baan hebben. Vraag ik: betaal je jouw werkster hetzelfde uurloon als je zelf verdient? Dat vinden ze absurd. Door er hun neus voor op te halen en het slecht te betalen, maken ze van huishoudelijke arbeid weer onbelangrijk werk.
Als jij staat voor gelijkheid, moet je dat in praktijk brengen. Doe wat je preekt. Je moet niet hypocriet zijn. Ben je voor een beter milieu? Dan moet je geen auto rijden, of in elk geval zo weinig mogelijk. Ik zie dat gelijkgestemden dat laten schieten.

Plichtsgevoel
Wat ik ook raar vind, is dat veel van mijn vroegere vrienden niet naar de demonstraties tegen de oorlog in Irak zijn geweest. Het komt niet eens in ze op. Je bent nooit te oud om te demonstreren.
Daarin klinkt mijn jeugd door, denk ik. Als je iets ziet wat niet deugt, moet je je mond opentrekken. Dat plichtsgevoel hadden CPN’ers ook. In die zin had de CPN wel iets gereformeerds. Als een Marokkaan op de markt slecht wordt behandeld, zeg ik er iets van.
Het is nu onmiskenbaar veel beter voor vrouwen. Begin jaren zeventig ging bijna iedereen trouwen en verdwenen vrouwen in het huishouden. Abortus was illegaal, vrouwen verdienden 30 procent minder dan mannen voor hetzelfde werk. De vakbond was niet bereid daar iets tegen te doen, mannen waren de kostwinner, vrouwen moesten niet zeuren. Dat is een heel stuk rechtgetrokken, al krijgen vrouwen nog steeds niet hetzelfde betaald.
Er is nog veel te doen. Veel vrouwen hebben nog altijd de neiging te denken dat mannen het beter weten. Een mannelijke student is net terug van een conferentie in Rio de Janeiro. Honderden wetenschappers uit de hele wereld waren bijeen om te praten over mannenemancipatie. In Rio, dat toch te boek staat als stad van macho’s.
Voor het eerst in de geschiedenis vergaderde een internationaal gezelschap van 450 mannen en vrouwen vier dagen lang over de bijdrage die mannen en jongens kunnen leveren aan gelijke sekseverhoudingen. Als ik dat hoor, word ik helemaal blij.
Willen we prettiger met elkaar omgaan, dan zal dat van beide seksen moeten komen. Het lijkt mij geen leuke positie als je altijd de kostwinner moet zijn, het altijd beter moet weten, dat je altijd rationeel moet zijn. Als mannen dat een klein beetje loslaten, wordt het leven veel prettiger. Ook voor mannen.

Bestraling
Half februari kreeg ik te horen dat ik nog een half jaar te leven heb. Eind augustus is het afgelopen. Misschien worden het negen maanden. Het is onduidelijk of de chemo en bestraling zijn aangeslagen, maar de kanker in mijn hersenen gaat niet meer weg. Ik was een week van de kaart; toen heb ik besloten dat ik ga proberen lachend te sterven.
Het is wachten tot de hoofdpijn begint of dat ik duizelig word. Dat vind ik af en toe een naar idee, maar zolang het er nog niet is, geniet ik van alles. Ik ga naar boekpresentaties, ik heb met mijn kinderen in Egypte mijn pleegdochter bezocht, ik ben naar Oerol geweest. Ik moet wel voorzichtig zijn, ik kan niet al te lang meer lopen.
De laatste tijd besef ik eens temeer wat een bofkont ik ben. Ik krijg zo verschrikkelijk veel warmte en liefde – het is om te huilen. Ik krijg veel reacties van oud-studenten, dat ze zoveel aan me hebben gehad. De aandacht van mijn dochter, mijn zoon en mijn pleegdochter Zo hartverwarmend, dat ik denk: nu kan ik wel doodgaan. Het is goed geweest. Het leven is goed voor mij geweest.
Ik kreeg een brief van een oud-student die nu op het Franse platteland woont, daar zijn kippen voert en iets in de ict doet voor een bedrijf in Nederland. Dat hele utopia-idee, dat je moet leven naar je idealen, heeft ie van mij. Ik krijg een heleboel van die kaartjes. Ik heb mensen een optimistische kijk gegeven. Dat geeft me de troost dat ik niet voor niks heb geleefd.
Blijf nieuwsgierig en geef je idealen niet op. Wees bereid anderen te helpen, maar offer je niet op. Ik geloof niet in opoffering; je moet zelf een prettig leven leiden. Ik heb de man met wie ik samenwoonde – de vader van mijn kinderen – uit huis gezet, omdat ie te veel dronk. Ik was te veel mijn broeders hoeder geworden. Ik regelde alles voor hem. Dat wilde ik niet meer opbrengen.
Denk na over hoe je wilt leven; je moet niet alles vanzelfsprekend vinden. Besef dat er meer mogelijkheden zijn dan werken, consumeren en het kerngezin. Dat huisje- boompje- beestje-gedoe zonder iets sprankelends Misschien kies je er wél voor, prima, als je er maar over hebt nagedacht.
Als kind kreeg ik het benauwd van de vaste patronen – dat straatje, dat huisje, alles geregeld, om zes uur eten, het weinig vreugdevolle dat in een relatie kan sluipen. Ik dacht: er moet toch een andere vorm van leven zijn? Woest en meeslepend wilde ik leven. Daar moet ik nu wel een beetje om lachen. Maar ik heb het wel geprobeerd. Ik heb 21 jaar in een woongroep gewoond. Ook dat bleek uiteindelijk niet ideaal.

Actieagenda’s
Op het eind van een college meldde ik altijd wat er de komende week stond te gebeuren. Niet alleen acties en demonstraties, ook lezingen, discussiebijeenkomsten en vergaderingen. Vroeger hadden Vrij Nederland, De Groene en Opzij actieagenda’s. Die hebben ze niet meer, en nu lijkt het alsof er niks meer gebeurt. Maar er gebeurt van alles.
Mijn studenten hebben mij bij de les gehouden. Een student heeft me meegenomen naar een alternatief restaurant in een kraakbolwerk. We aten veganistisch, ik had er nog nooit van gehoord, maar ik zag er mijn eigen idealen terug – de belofte van verandering was tastbaar.
De kraakbeweging, de scene, zoals ze zichzelf noemde, was met een heleboel dingen tegelijk bezig. Met feminisme, anti-kernenergie, milieu, antimilitarisme, de multiculturele samenleving, antifascisme, politieke gevangenen... Ik heb veel lezingen in dat circuit gegeven.
Via de kraakbeweging belandde ik op de Pinksterlanddagen in Appelscha, waar de scene en anarchisten eens per jaar bij elkaar komen op een camping die al tachtig jaar wordt gerund door anarchisten. Ik ben geen anarchist, je kunt niet buiten de staat, er zijn regels nodig. Maar ik kom er graag, er hangt een geweldige sfeer, een hanekam in gerafelde kleren staat af te wassen naast een permanentje in bloemetjesjurk. Er wordt naar elkaar geluisterd, net als in die alternatieve cafés en restaurants. Er is ruimte om verschillend te denken.
Het geeft hoop dat een jongere generatie bezig is met idealen die ik ook heb. Zij koesteren, net als ik, het idee dat een betere wereld mogelijk is. Ik ga binnenkort dood. Maar zij gaan door.’


Het interview met AT5 : Saskia Poldervaart over de dood (Met excuses voor de eventuele reclame)


Saskia Poldervaart overleed op 21-2-2011
http://www.foliaweb.nl/medewerkers/uva-docent-en-dolle-mina-saskia-poldervaart-overleden/




©GaviMensch
Nederland BV, 11-8-2012




Update 1: Ik had wel wat commentaar verwacht, maar ik kon niet antwoorden op deze van Twitter, dus doe ik het maar zo, met beterschap voor Niels :

Niels Westerling‏ @NiWe10:

@GaviMensch feminisme is als een kanker die net als racisme een land kapot maakt en mensen verdrukt! Dat is verleden tijd!

@GaviMensch Aandacht voor mannenidentiteit die niet bepaald en besmeurd wordt door vrouwen! Feminisme is gewoon haat & geweld!

@GaviMensch wordt hoog tijd dat we eindelijk eens aandacht gaan vragen voor mannenbelangen in de politiek! Dat is hard nodig!

@GaviMensch feminisme heeft NIETS te maken met emancipatie; ook dat is een ziekelijke misvatting. Jammer dat je zo vast zit!

@GaviMensch feminisme is compleet doorgeslagen en gewoon een vorm v racisme & haat van gefrustreerde vrouwen die mannen haten!

@GaviMensch moet afgelopen zijn met slachtoffertje spelen van vrouwen! Gelijke rechten is prima, maar valse agressie is fout!

@GaviMensch jij begint met absurde stellingen, dus dan kun je hem terug verwachten ja - ik hou me liever aan de waarheid!

@GaviMensch een typisch vrouwneantwoord, zal ik maar zeggen, om de belachelijkheid en het geweld van feminisme niet te snappen

@GaviMensch is dat je beste argument om seksistische agressie van vrouwen te rechtvaardigen?

@GaviMensch laten we hopen niemand, want feminisme is net zoiets disfunctioneels en kwalijks als religie en racisme! Dat is verleden tijd!







vrijdag 25 februari 2011

Exoten





Behalve de nieuwe woorden zoals vet en kiwi en megaas (nieuw door de veranderde betekenissen van de woorden), zijn er namen van dingen die er blijkbaar al lang zijn, maar waar ik nog nooit van gehoord had en me erg intrigeren.

Ik lees in mijn krant een stukje over exoten, heerlijk lijkt het me om onder de exoten te vallen. Wat een vrijbrief! Helaas gaat het niet om anders-dan-anders mensen maar om uitstervende of zich op de verkeerde plaatsen voortplantende flora en fauna. Jammer dat we daarvoor de naam exoten moeten gebruiken, ik ken ze net en nu al zijn ze niet welkom of sterven ze uit. Maar hun benaming is een voedingsbodem voor mijn fantasie, er staan geen plaatjes bij het artikel, dus ik mag van mijzelf op mijn verbeelding afgaan. Dat is eenvoudig.

Een langlob-ribkwal, die vanuit Amerika als verstekeling mee gereisd is naar de Nederlandse kustwateren. Zie je hem zich al met die lange lob vastzuigen aan dat grote schip, zo mager als eigenlijk alle verstekelingen zijn, de ribben zichtbaar? Weg uit de Verenigde Staten waar zelfs kwallen niet meer willen wonen. Geef hem eens ongelijk. In Nederland wonen er genoeg, daar valt hij niet op. Wilders zal hem wel terug willen sturen, die is er vast van overtuigd dat anders zijn positie als hoofdkwal in gevaar komt.

De lapsnuitkever heeft zich vastgeklemd aan struiken en is vanuit Italië via de rivieren bij ons beland. Wat een slimme voddenbaal. Weg bij Berlusconi, zo’n kever met lappen om haar snuit is óf zigeunerin óf een islamitische allochtoon; ze is vast dringend verzocht om niet in Italië te blijven. Wel zielig dat zij ook hier een belastingaanslag kan krijgen voor die lappen.

Niet alle exoten worden met uitsterven bedreigd. Ons kikkerlandje staat in eerste instantie open voor een nieuwe exoot, maar de groep invasieve exoten wordt met argusogen bekeken. Invasief is een eng woord. En toch, denk ik dan, gaaf eigenlijk dat we hier ook een Japanse duizendknoop als tuinplantje aan kunnen treffen. Hebben we ook een Nederlandse duizendknoop of zijn duizendknopen bij ons vervangen door een rits?

De grote waternavel is door onze aquariumhouders gedumpt in open water en nu hebben we een overvloed aan navels en navelstaarders. Voor grote waternavels moet je dus in Nederland zijn.

Wat te denken van een muntjak, een Chinees hertachtig diertje. Het gaat de volgende editie van de exotenlijst niet halen, lees ik. Tja, dat lijkt me ook, Chinese zaken schijnen onze economie in te dammen, een muntjak is dubbelop natuurlijk. In tijden van recessie kan dat niet meer en helpt het diertje zichzelf om zeep; zo niet, dan doen wij dat gewoon met wat aanpassingen aan de natuur.

Verder snap ik de bezorgdheid niet helemaal over de opmars van grauwe ganzen. Ons land zit er vol mee lees ik.  Maar dat wisten we toch al? Al die mensdieren die maar niet boven de middelmaat willen uitsteken, niets origineels meer hebben, allemaal het bankstel en de tv op dezelfde plaats hebben staan en allemaal zeuren over de politiek en nooit eens een alternatief aandragen! Wat nou ‘de grauwe ganzen rukken op’? Gaan we nu ineens allemaal bewegen?

En hoe sta ik dan tegenover de ruigpootuil? Hij lijkt me wel een stoere wijsgeer, er was ook een berichtje over hem. Hij was jammerlijk gepakt door een Hollandse arend; de plek was nabij Sint Walrick. Was dit een pelgrim die zijn Waterloo heeft gevonden bij de sacrale heilige eik, beter bekend als de zakdoekenboom? Een paar regels en ik heb een eng modern sprookje voor handen. Ik schaaf mijn idee over 'stoere' wijsgeer bij en houd het er op dat de arenden potenrammers zijn, die bij de zakdoekenboom allemaal huilende uilen aangetroffen hadden. Zo gaat dat.

Het lijkt bij nader inzien niet allemaal zó exotisch, door hun benamingen komen de exoten te dicht bij de dagelijkse werkelijkheid. Mijn fantasie is geïnvadeerd door andere berichtgevingen. Ik laat het maar voor wat het is en hoop op betere tijden.



Misschien dat ik ooit bij de Amerikaanse zwaardschede weer simpelweg iets prikkelends kan bedenken. Ik wil ooit nog een keer kunnen dromen van de Amerikaanse vogelkers, kersen die zo mijn mond invliegen terwijl ik uitrust tegen de stam van de boom, na een lange wandeling met mijn Amerikaanse hondsvis.


Rest mij alleen de vraag of ze in Amerika en Japan ook exoten van Nederlandse bodem hebben.

Ik zoek het op. Je hoort van me.


 @ Gavi Mensch
Uit: Vette klei en rode aarde, 2009
Aangepast: 25-2-2011.



Update: 3-8-2017



Niet al mijn geliefde exoten zijn vermeld op de blacklist.  Stel je voor dat we alles wat niet van hier is gaan verdelgen, dat zijn de reinste puhvuhvuhpraktijken. Kan het peroxideding misschien wel op de donkergrijs/zwartelijst?

Ik ben een groot natuurliefhebster maar wil even relatieveren: Nederland is relatief jong, zijn niet al onze planten en dieren van uitheemse afkomst? 

Of dachten we soms dat een god ons landje had gebouwd in 7 dagen inclusief het verzinnen van 'inheemse' flora en fauna?


Het Nederlandse landschap is vooral gevormd gedurende de laatste twee ijstijden uit het Pleistoceen en het Holoceen. De verdrinkingsgeschiedenis tijdens het Holoceen van de Schelde, Rijn, Maas en Eems en omgeving is van groot belang geweest voor de bewoningsgeschiedenis van Nederland. Ruim twee derde van het oppervlak wordt gevormd door Holocene afzettingen.





.

dinsdag 23 maart 2010

Why women can not get into key positions in science?

[  Time Crunch for Female Scientists: They Do More Housework Than Men. (The Chronicle for higher education/Jill Laster/ 19-01-2010) :

-When the biologist Carol W. Greider received a call from Stockholm last fall, telling her she had won a Nobel Prize in Physiology or Medicine, she wasn't working in her lab at the Johns Hopkins University. The professor of molecular biology and genetics was at home, folding laundry- ]

After reading this article I remembered a letter I wrote to and for my daughter who was struggling to become a scientist. 
She made it, became Dr. In Neuroscience last September but the struggle continues, now that she is pregnant, the one year contract she got for investigation ( she was supposed to have a two year contract considering the money that was granted) wont give her the time to finish the project. 
So she is back to where she was. 
I’ll share the letter with you:

Why women can not get into key positions in science?

Well,  there are several reasons, most of them will be called 'feminist reasons' of course and will be disabled as 'real reasons' in no time by the desperate holders of those key positions. But I'll mention them anyway.

One of the most important reasons why women don't get to fill in the positions they should have, is that they are pure science. 
Their bodies can make new scientists and in order to be able to do so they were made much stronger than men, which of course is very scary.

You give them a seed and they can produce whatever is necessary to make this (men's)world go round. They can produce money-makers, soldiers, oil-magnates, weapon-producers and atom bombinventors. 

They create babies that are helpless and they make them into strong men, and of course, strong women.

They breastfeed future Nobel- price-winners.
And they produce female scientists who must make the world go round in an opposite direction, the typical female direction:
-Let's feed everybody and lets get into a think-tank about the way to do so. 
-Let's make medication to combat Aids and let's get it to Africa for free.
-Let's find solutions to stop the killing of mother earth, of poor people, of battered wives and abused children.
-Let's find a scientific way to make this world a better place.



These are some of the reasons why women are not to be chosen, by men, for key positions in science. If all of the solutions above would take place, how would weapon-producers survive? And the pharmaceutical money-makers. If everybody would be occupied with producing food , who would be a soldier? Who would be this great male president of whatever state, that goes on a trip to see how few people are fighting and how well they do without his help?

A female scientist in a key position would have twice as many possibilities to do something good with what she's got: a useful brain with two decently connected hemispheres and a womb to create new female and also male scientists.

That is probably enough for the male-key-position-holders-in-science to make sure women will never get where they themselves are.

But of course there are many more reasons why they don't want women ahead or next to them.
Menstruation is a very nasty thing for men to cope with, motherhood absence is disturbing their simple organisation and the fact that you have a woman working next to you and not being able to screw her is very frustrating.


I know that these reasons must come as a surprise to male scientists in key positions and even in a lesser one and that if they would free their minds of envy and frustration for only two minutes, they wouldn't even have to think, they simply could agree: 

Women and especially women-scientists are not holding key positions because the whole idea scares the shit out of men.




©Gavi Mensch
Jerez, 04-10-2007
Maastricht 22-3-2010 All rights reserved 2007-2016

Updates: 

2016: 

http://www.undispatch.com/today-is-the-day-the-un-celebrates-women-and-girls-in-science-heres-why-thats-so-important/

http://www.usnews.com/opinion/knowledge-bank/articles/2016-02-11/academia-must-correct-systemic-discrimination-and-bias-against-mothers

met als voetnoot de opmerking van een wetenschapper: 12-2-2016

Deze blog was van 2007, nu 9 jaar later is het alleen maar erger...ze hebben zelfs per januari 2016 de 4 maanden zwangerschaps-/bevallingsverlof verlenging AFGESCHAFT. Dus als je zwanger wordt tijdens je tijdelijke contract dan heb je ook nog eens 4 maanden minder de tijd om je project af te ronden. En dat terwijl 90% van deze kosten door het UWV aan de universiteit betaald wordt...you tell me !!!!



.

maandag 1 maart 2010

Lessen van Anna 2


Ik zie het voor me, ik lucht mijn hart.

Het vernuftige orgaantje verwijder ik even: scalpel, sneetje, bloed en hup...naar buiten ermee, in de frisse zuurstofrijke lucht. Even uitwaaien. En daarna? Hou ik het dan in mijn handen, zoals bij  een 'Jezus van het heilig hart'? Of hang ik het bij de fris gewassen lakens buiten aan een ijzeren waslijn? Met de knijpers aan de aorta?




Zou het niet prettig zijn als je dat geluchte hart eerst even kon schoonspoelen voordat het weer teruggeplaatst wordt? En een scheutje 4711?
Ik bedoel maar, al het oude verdriet eruit, de kamers even schrobben, de kleppen in de was, boenwas, dat ruikt ook nog lekker. De sores, die als cholesterol aan de vaten kleeft, wegschuren met zand, zeep en soda. Grote schoonmaak, het is voorjaar, vooruit met de geit!




Anna, mijn lieve en wijze grootmoeder, zou mij aankijken met haar blik van voorzitster van de Vereniging van Plattelands Vrouwen. “Orde, orde in de zaal!”
En ze zou mij vragen: “Kleindochter, waar ben je nu mee bezig?”
“Ik ben mijn hart aan het luchten, Oma, het was smoezelig van het hartzeer, het rook ook niet zo fris. Waarschijnlijk van al die nare belevenissen, die als je ze niet opruimt toch gaan liggen rotten.”

Grootmoeder zou haar hoed wat rechter op haar grijze krullen geplant hebben de hoedenpin opnieuw hebben vastgestoken en over haar bril naar me gekeken hebben, een denkrimpel tussen haar lieve ogen.
En ze zou haar hoofd geschud hebben, dat wist ze van te voren, dat ze haar hoofd ging schudden. Daarom moest die hoed goed vast zitten. Je kunt je kleindochter niet serieus toespreken met een wiebelende hoed.

En dan zou ze zeggen dat een hart gemaakt is om bloed door te pompen, het bewijs dat je leeft.

 “Alleen de doden kunnen niets meer leren van hun sores. Verdriet is een grens, daar kun je braaf achter blijven liggen huilen, maar je kunt er ook overheen. 
Hoe goed is dan het terugkijken! Dan heb je de sores achter je gelaten! 
Lieve kind, wat wil je met een schoon hart? Een schone lei, dat begrijp ik, maar een vlekkeloos hartje, dat eenmaal schoongemaakt wel weer 100 jaar meegaat? Wil je 130 worden soms? En waar ga je dan aan denken als je oud bent en de eerste 30 jaar van je leven mist?”

Anna hoefde niet vaak haar hart te luchten. Ze accepteerde het leven zoals het was. Veel gedaan, veel meegemaakt. 92 geworden en in mijn armen haar laatste adem uitgeblazen. Verzetsvrouw, moeder van lastige kinderen, een dove man en nooit te beroerd om iets voor ons te doen. Mijn voorbeeld, denk ik nu.


Niet nodig dus, je hart luchten. ”Vertel je verhaal maar”, zou ze zeggen,”dan ben je het kwijt. Laat je hart maar waar het hoort. Een enkele onregelmatige slag, maakt dat je je bewust bent van het tijdelijke, van dat je verder moet en niet terug”.

Ik vertel nu dus af en toe mijn verhaal, daarna moet ik verder. Verzamelen voor als ik oud ben, iets hebben om op terug te kijken. Het vertellen van het verhaal is een soort geheugentraining. 


Voor later, voor als mijn kleindochter zegt: “Oma, Ik moet mijn hart luchten.”
Dan moet ik met mijn doordringende ogen en lachrimpels naar haar kunnen kijken en mijn woeste krullen in bedwang houden, om serieus te lijken. En razendsnel de sores de revue kunnen laten passeren.
En bedenken dat mijn kinderen daar tussen zaten, het ook overleefd hebben en mijn kleinkinderen daar hun wijsheden uit moeten putten.
En dan moet ik glimlachend kunnen zeggen: “Lieve kind, wat moet je nou toch met zo’n schoon hart?”

Time flies!




©Gavi Mensch
Dordrecht 1985/Utrecht 2009

All right reserved 2009


.


vrijdag 5 februari 2010

Krijsers.




Op het speelpleintje voor mijn huis krijst sinds enkele uren een jongetje van een jaar of vier. Als hij niet krijsend huilt, dan geeft hij krijsend bevelen aan de andere kinderen, waarvan sommigen zich angstig hebben opgesteld aan de rand van het veldje, ver weg van de speeltoestelletjes die het jongetje als vanzelfsprekend in beslag heeft genomen. Allemaal. Als een van de andere kinderen een poging waagt om het springveren hobbelpaard te bestijgen, zet het kind een keel op. Ik hoor een enkel ander kind, op afstand, een poging wagen om hem tot rede te brengen: ”We mogen toch allemaal wel even op het paard, het is voor iedereen, ik vind jou niet zo aardig”. Des te vriendelijker ze proberen te praten, des te luider wordt het schreeuwen van het kleine tirannetje.

Een heel verlegen meisje dat met haar vinger in haar mond het spektakel vanuit een veilig hoekje aanschouwt wordt door de schreeuwlelijk aangewezen als de enige die met hem mag spelen op de toestellen, maar ze wil niet, slaat haar ogen neer en schudt haar hoofd. Het ventje ontsteekt weer in woede en krijst dat ze moet! Huilend loopt het meisje van het pleintje af en gaat de voortuin in van het huis waar zij woont. Het jongetje loopt achter haar aan en geeft haar een schop tegen de benen precies op het moment dat haar moeder naar buiten komt. “Dat mag niet”, zegt de moeder, “dat is niet aardig. Anoukje mag ook spelen en jij mag niet schoppen”. Het jongetje kijkt haar ongelovig aan, loopt op haar af, trekt Anouk in het voorbijgaan aan haar haar, zet zijn handjes in zijn zij en gilt dan naar de moeder:”Stomme hoer” en loopt dan rustig de voortuin weer uit. De moeder trekt haar dochtertje mee naar binnen en doet de deur dicht.


Ondertussen hangen, net zoals ik aardig wat mensen uit hun raam om te kijken waar al het lawaai vandaan komt. De andere kinderen staan met open mond te kijken, de meeste lijken verbaasd over de durf van het monstertje, één zegt stoer dat hij het aan de moeder van het jongetje gaat vertellen en loopt vervolgens weg. Het ventje zet het weer op een krijsen en trapt een paar keer tegen de prullenbak die aan het hekje hangt en gaat dan triomfantelijk op het hobbelpaard zitten. De andere kinderen bewegen zich amper en lijken af te wachten wat er nog meer gaat gebeuren.

Dan komt de moeder van het jongetje aangelopen, trekt hem ruw van het hobbelpaard af zodat hij op de grond valt en ja hoor, hij krijst weer. Hij schreeuwt van alles naar zijn moeder. De vocabulaire is geenszins die van een vierjarige; de moeder verblikt of verbloost niet. Ze zet, net zoals haar nazaat, haar handen in de zij en geeft hem antwoord met een zelfde schreeuwstem en het is duidelijk waar het ventje zijn woordenschat vandaan heeft.

Ik schaam me dat ik niet aangekleed ben en naar beneden kan gaan om nog te redden wat er te redden valt, de moeder kalmeren, het ventje kalmeren, aangeven dat er iets erg fout gaat, uitleggen wat er gebeurd is. Maar de moeder pakt het ventje aan een arm van de grond en zet hem op het hobbelpaard. Dan kijkt ze in het rond, eerst langs de kinderen en dan langs de ramen en de toeschouwers in de voortuinen en op straat. Dan zet ook zij het op een krijsen, tegen ons, of we geen tv hebben, of we het soms beter weten. En dan tegen de kinderen: ”Als jullie hem pesten wordt ie zó, eigen schuld, zoek het maar uit! “ En dan draait ze zich om en loopt weg. Het ventje zit met een stralende glimlach op het hobbelpaard en kijkt triomfantelijk in het rond. De andere kinderen pakken hun spullen en maken aanstalten om naar huis te gaan, waarschijnlijk om verslag te doen.

Eén moeder, echter, loopt naar het ventje toe, tilt hem rustig van het hobbelpaard zet hem op zijn beentjes, zakt op haar hurken, kijkt het beduusde jongetje in de ogen en zegt: “Wij hebben vandaag patatjes en Peter mag zijn vriendjes meebrengen. Ben jij een vriendje van Peter?” Peter die half achter haar staat schudt zijn hoofd, maar het ventje zegt van ja. Dan zegt de moeder dat hij dan maar thuis moet gaan om te vragen of hij bij Peter mag eten. Maar het ventje kijkt haar een beetje sip aan en zegt dat hij dat niet hoeft te vragen. De moeder van Peter glimlacht en zegt dat hij dat toch moet doen en dat zijn moeder hem maar even moet brengen, anders is ze misschien ongerust. Het ventje staart haar nu ongelovig aan en schreeuwt: “Ongerust, mijn moeder is uitgerust, die ligt de hele dag op de bank. Mijn moeder gaat me niet naar jouw huis brengen, trut!” En met die woorden laat hij de verblufte moeder staan en loopt weg.

Peter trekt aan zijn moeder en wil duidelijk weg van het pleintje. De andere kinderen kijken nog even in de richting waarin de schreeuwlelijk is gelopen en nemen dan het speelveldje weer in beslag. Ik steek mijn duimen omhoog naar de moeder van Peter en ze lacht een beetje schuchter. “Goed gedaan”, zeg ik. Ze haalt een beetje vertwijfeld haar schouders op en zwaait even. Dan loopt ze weg, met Peter aan haar hand.

Ik bewonder inventieve moeders, ze zijn de enigen die de strijd met zo’n kleine Wilders aankunnen en aandurven. De rest is ingedut of angstig.

Zo werkt dat nu in Nederland.





©Gavi Mensch
Utrecht, 6-6-09.

©All rights reserved 2009

.

donderdag 4 februari 2010

Gaan we slapen of kussen?


Of was het anders om?

Ik herinner me alleen de strekking van de vraag, het gebrek aan passie, het te veel aan voorzichtigheid en mijn reactie: ‘Kussen!’ Met mijn passie voor kussen zit het wel goed, mijn passie voor slapen is iets minder groot, zeker als ik iets anders, iets beters in het vooruitzicht heb.

Ik heb soms groot gebrek aan kussen, lieve kussen en lekkere kussen, zachte kussen op lippen en haren, op mijn lijf, mijn velletje, kussen in de handpalm of op mijn ogen. Ik mis ook het dagelijkse kuswerk, het huidcontact. Ik kan wel zonder praten (je gelooft het niet) maar niet zonder aanraken. Ik ontvang graag kussen en ik geef ze met passie. Dus mij hoef je zo’n vraag nooit te stellen!

Nooit? Het ligt er natuurlijk wel aan wie de kusser is.

Van baby’s en kinderen kan ik eigenlijk alles wel hebben. Van volwassenen niet altijd. Ik moet wel van hen houden en zij van mij. Ik ga natuurlijk niet zomaar spontaan heftig zoenen met iemand die ik niet ken. Veel mannen kunnen niet zo goed zoenen en doen maar een dotje. Veel vrouwen kussen met lucht op mijn wangen of liever gezegd, net er naast. Geen lipstickvlekken, geen damesvelletje aanraken met je lippen. Mensen die in de lucht kussen, kus ik daarna nog één keer vol op de wangen om te kijken of ze het begrijpen. Doen ze dat niet, dan kus ik hen niet meer. Zelfs niet volgens protocol. De volgende keer knik ik vriendelijk en zeg hen op afstand gedag, wend een verkoudheid voor of als het echt niet anders kan geef ik hen een hand.

Ik houd niet van handen schudden, vaak zijn handjes slap of plakkerig en ik vind het maar een beetje rare gewoonte. In Frankrijk kwam ik er niet onderuit, ik werd er soms een beetje giechelig van, duizend keer handjes schudden, soms wel meerdere keren per dag met de zelfde mensen. Als ik een hand schud dat is dat zakelijk en stevig.

Het is moeilijk handen schudden met iemand die je al eens een luchtkus heeft gegeven, eigenlijk heeft die zijn kans gemist. Ik kan, als ik die persoon nog een tweede kans wil geven, een omhelzing voorstellen. Als dat goed gaat, ben ik ook wel tevreden.

Kussen en ook omhelzen zijn voor mij prettige bezigheden. Wetend dat er aan de andere kant van mijn lippen en armen een lijf met ingebouwd mensch zit, ga ik ervoor. Ik kus met passie en klem in mijn armen. Met een lach, soms met een grapje om de weerstand van de ander te breken. Ik vind het heerlijk!


Mijn vriendinnen en vrienden, mijn zielsverwanten en mijn kinderen kus ik op de lippen, daar zijn ze voor. In het begin was dat voor mij ook een beetje wennen. Maar al gauw had ik door hoe echt zo’n kus is, wat je er allemaal mee kunt uitdrukken! Kussen op lippen zijn er in soorten en maten. Ik ga niet “kopkluiven” met de mijnen. Ik wil dat wel doen als ik mijn hoofd verlies in het vuur van de liefde, maar binnen de perken, niet in plaats van complete mond en keelverzorging!

Lippen van mijn menschen worden door mij gekust met de mond dicht en de lippen getuit. De lippen van mijn lief kus ik zonder tuiten, dat is nog dichterbij. Maar daar is hij dan ook mijn lief voor. En de lippen van mijn kindertjes kus ik met vrolijkheid, luchtig en blij. Het is heerlijk kussen met mijn nakomelingen, dat is tenminste iets dat ik ze heb kunnen meegeven. Geen van twee (nu al vier) zijn het handengevers. Ze kunnen “uit de kunst” kussen en omhelzen. Een beetje na-hangen in de hals en dan nog een kus, klaar! Ze doen het ook bij elkaar en natuurlijk met hun geliefdes en het ziet er prettig en intens uit. Ik vind dat ook heerlijk; zo’n contact voel ik nog even tintelen, ik haal daar een boel energie uit, energie om weer van alle soorten liefs weg te kunnen geven.

De Hollandse driekus en de bijbehorende rommelige hoofdbewegingen zijn niet echt aan mij besteed. Soms leidt dat toch nog tot een kus op de mond of neus en een zenuwachtig lachje, wat ongemakkelijk gedoe. Tegenwoordig plant ik kordaat een smakkerd met lippen en geluid op een wang en gooi dan mijn hoofd naar achter om het resultaat te bekijken. Die andere twee kussen hoeven dan vaak niet meer. Ik wil wel drie kussen planten, wel tien als het moet, maar dan met lippen op de huid. De driekus is daar niet voor bedoeld. Ik wil er al jaren vanaf, verkondig dat ook, maar wat kussen betreft is Nederland conservatief. Met de driekus lijken we in ieder geval mensen met passie voor aanraken.

Het tegendeel is waar. We houden van ons persoonlijk territorium. Ikzelf ook. Ik merk dat als ik in Spanje ben waar de mensen op een heel leeg strand hun handdoek naast die van mij leggen of in de rij voor de kassa van de supermarkt waar men doorlopend tegen je aan duwt. Afstands- en wachtstrepen bij de bankloketten worden daar beschouwd als versiering. In Spanje wordt ook wel geluchtkust maar tegelijkertijd wordt er aangeraakt. Hier is dat verboden. We vinden het toch maar eng, al dat lijfelijke gedoe. Leuk voor in bed, met de juiste persoon, verder houdt de Hollander van afstand.

Kopkluiven, zoals een cabaretière het uitgebreide tong en huigzoenen noemde, wordt alleen gedaan door de rebellen, jongeren die lekker overal lak aan hebben en ongeremde metroseksuelen. Ik heb ooit (heel kort) een vriendje gehad die niet kon kussen. Hij trok zijn mond open, klemde die over mijn gezicht en stak zijn tong in mijn slokdarm. Uitermate onaangenaam. Weinig passie voor zoenen had ik, volgens hem een beetje frigide. Kopkluiven is niet het mijne dus. Ik word daar niet vrolijk van.

Kussen als ik verliefd ben of gemaakt word is aftasten met lippen, voorzichtig. Het is een lief intermezzo waar eventueel een spannend voorspel van gemaakt kan worden. Het is dwalen met lippen over de huid van je lief en verdwalen en weer de weg terug vinden. Soms raak ik daar nog gewoon de kluts van kwijt. En als het te lang lekker is wil ik doorgaan, nooit meer stoppen. Dan hoeft niemand meer te vragen of we gaan slapen! Kussen, veel kussen en daarna zien we wel weer verder.



©Gavi Mensch
Rotterdam, 21-1-2009




Update 2012 http://www.hln.be/hln/nl/33/Fit-Gezond/article/detail/1467015/2012/07/09/Vijf-gezonde-redenen-om-veel-vaker-te-kussen.dhtml