vrijdag 5 februari 2010

Krijsers.




Op het speelpleintje voor mijn huis krijst sinds enkele uren een jongetje van een jaar of vier. Als hij niet krijsend huilt, dan geeft hij krijsend bevelen aan de andere kinderen, waarvan sommigen zich angstig hebben opgesteld aan de rand van het veldje, ver weg van de speeltoestelletjes die het jongetje als vanzelfsprekend in beslag heeft genomen. Allemaal. Als een van de andere kinderen een poging waagt om het springveren hobbelpaard te bestijgen, zet het kind een keel op. Ik hoor een enkel ander kind, op afstand, een poging wagen om hem tot rede te brengen: ”We mogen toch allemaal wel even op het paard, het is voor iedereen, ik vind jou niet zo aardig”. Des te vriendelijker ze proberen te praten, des te luider wordt het schreeuwen van het kleine tirannetje.

Een heel verlegen meisje dat met haar vinger in haar mond het spektakel vanuit een veilig hoekje aanschouwt wordt door de schreeuwlelijk aangewezen als de enige die met hem mag spelen op de toestellen, maar ze wil niet, slaat haar ogen neer en schudt haar hoofd. Het ventje ontsteekt weer in woede en krijst dat ze moet! Huilend loopt het meisje van het pleintje af en gaat de voortuin in van het huis waar zij woont. Het jongetje loopt achter haar aan en geeft haar een schop tegen de benen precies op het moment dat haar moeder naar buiten komt. “Dat mag niet”, zegt de moeder, “dat is niet aardig. Anoukje mag ook spelen en jij mag niet schoppen”. Het jongetje kijkt haar ongelovig aan, loopt op haar af, trekt Anouk in het voorbijgaan aan haar haar, zet zijn handjes in zijn zij en gilt dan naar de moeder:”Stomme hoer” en loopt dan rustig de voortuin weer uit. De moeder trekt haar dochtertje mee naar binnen en doet de deur dicht.


Ondertussen hangen, net zoals ik aardig wat mensen uit hun raam om te kijken waar al het lawaai vandaan komt. De andere kinderen staan met open mond te kijken, de meeste lijken verbaasd over de durf van het monstertje, één zegt stoer dat hij het aan de moeder van het jongetje gaat vertellen en loopt vervolgens weg. Het ventje zet het weer op een krijsen en trapt een paar keer tegen de prullenbak die aan het hekje hangt en gaat dan triomfantelijk op het hobbelpaard zitten. De andere kinderen bewegen zich amper en lijken af te wachten wat er nog meer gaat gebeuren.

Dan komt de moeder van het jongetje aangelopen, trekt hem ruw van het hobbelpaard af zodat hij op de grond valt en ja hoor, hij krijst weer. Hij schreeuwt van alles naar zijn moeder. De vocabulaire is geenszins die van een vierjarige; de moeder verblikt of verbloost niet. Ze zet, net zoals haar nazaat, haar handen in de zij en geeft hem antwoord met een zelfde schreeuwstem en het is duidelijk waar het ventje zijn woordenschat vandaan heeft.

Ik schaam me dat ik niet aangekleed ben en naar beneden kan gaan om nog te redden wat er te redden valt, de moeder kalmeren, het ventje kalmeren, aangeven dat er iets erg fout gaat, uitleggen wat er gebeurd is. Maar de moeder pakt het ventje aan een arm van de grond en zet hem op het hobbelpaard. Dan kijkt ze in het rond, eerst langs de kinderen en dan langs de ramen en de toeschouwers in de voortuinen en op straat. Dan zet ook zij het op een krijsen, tegen ons, of we geen tv hebben, of we het soms beter weten. En dan tegen de kinderen: ”Als jullie hem pesten wordt ie zó, eigen schuld, zoek het maar uit! “ En dan draait ze zich om en loopt weg. Het ventje zit met een stralende glimlach op het hobbelpaard en kijkt triomfantelijk in het rond. De andere kinderen pakken hun spullen en maken aanstalten om naar huis te gaan, waarschijnlijk om verslag te doen.

Eén moeder, echter, loopt naar het ventje toe, tilt hem rustig van het hobbelpaard zet hem op zijn beentjes, zakt op haar hurken, kijkt het beduusde jongetje in de ogen en zegt: “Wij hebben vandaag patatjes en Peter mag zijn vriendjes meebrengen. Ben jij een vriendje van Peter?” Peter die half achter haar staat schudt zijn hoofd, maar het ventje zegt van ja. Dan zegt de moeder dat hij dan maar thuis moet gaan om te vragen of hij bij Peter mag eten. Maar het ventje kijkt haar een beetje sip aan en zegt dat hij dat niet hoeft te vragen. De moeder van Peter glimlacht en zegt dat hij dat toch moet doen en dat zijn moeder hem maar even moet brengen, anders is ze misschien ongerust. Het ventje staart haar nu ongelovig aan en schreeuwt: “Ongerust, mijn moeder is uitgerust, die ligt de hele dag op de bank. Mijn moeder gaat me niet naar jouw huis brengen, trut!” En met die woorden laat hij de verblufte moeder staan en loopt weg.

Peter trekt aan zijn moeder en wil duidelijk weg van het pleintje. De andere kinderen kijken nog even in de richting waarin de schreeuwlelijk is gelopen en nemen dan het speelveldje weer in beslag. Ik steek mijn duimen omhoog naar de moeder van Peter en ze lacht een beetje schuchter. “Goed gedaan”, zeg ik. Ze haalt een beetje vertwijfeld haar schouders op en zwaait even. Dan loopt ze weg, met Peter aan haar hand.

Ik bewonder inventieve moeders, ze zijn de enigen die de strijd met zo’n kleine Wilders aankunnen en aandurven. De rest is ingedut of angstig.

Zo werkt dat nu in Nederland.





©Gavi Mensch
Utrecht, 6-6-09.

©All rights reserved 2009

.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen