Het stormt, zo'n ouderwetse frisse zomerstorm. Ik heb het
nooit erg gevonden om na warme dagen een paar dagen door koude windvlagen om de
oren te worden geslagen. Het heeft iets van een oergeweld; niet te vergelijken
natuurlijk met de echt gevaarlijke tornado's of orkanen.
Voeger, toen we (kleinkinderen) nog met mijn grootmoeder en
ooms naar Katwijk gingen en daar wel een maand (of in ieder geval lang) bleven,
was de zeewind mijn dagelijkse speelkameraadje. De ene dag met een dikke trui
over je rok en bloesje heen en de andere dag met een trui over je gebreide
badpakje op het strand. Over de martelingen van het gebreide badpakje heb ik
het andere keer. We speelden dat we omvergeblazen werden in het zand, gilden
van de lach.
De wind was mijn vriend, hij boog het helmgras in de duinen
voor mijn voeten weg en maakt natte zandhoopje op het strand. Van de wind kreeg
je wangen met kleurtjes als appeltjes. Mijn ooms waren allebei kapiteins,
zuiplappen en stoere donders; de wind hoorde bij leven en dood werd mij verteld,
ik was toen een jaar of 6.
De oom die zich het eerste dooddronk was de leukste
vroeger. Hij nam mij mee naar het beeld van de vissersweduwe met haar kind,
waar hij vertelde dat het schip was vergaan in een vreselijke storm en dat de
vissersvrouw alleen achterbleef met haar kind. Dat verhaal was goed voor tranen.
Later was ik een lange tijd niet zo bevriend met stormen. Als
ik met de fiets dijk-op naar school moest trappen, had ik minstens 10 minuten
een hoestbui en als het op de terugweg nog zo waaide zat ik een hele tijd
onderaan de trap uit te hoesten. Dat had wel het voordeel dat mijn longvolume
ondanks de eeuwige bronchitis groot bleef.
Ziekmakend waren de Föhn, de Mistral, de Tramontana en de
Levante, allemaal windsoorten uit mijn woon of verblijfplaatsen en die een
venijnige hoofdpijn teweeg brachten. En dan nog vond ik het wel spannend. Je
kon het een dag van te voren al voelen, er was vaak letterlijk stilte voor de
storm.
Vandaag waait hier, net als gisteren, een zuidwester. De
naam die doet denken aan het hoofddeksel dat bij mijn regenjas hoorden en die,
als je de kraag over de achterkant opsloeg, zorgde voor een continue aanvoer
van water langs je ruggengraat.
Katwijk was toen nog een heerlijk oord voor kinderen.
Scheppen en dollen, zonder vergunning het strand omploegen en
brood-met-pindakaas-met-zand picknicken in de duinen. We hadden niet de hele
dag volwassenen op ons nek, alleen de zeewind.
Vandaag heeft de wind aardig wat schade aan gericht. Het
redelijk stevige nest van de eksters was er niet helemaal tegen bestand. Ik
hoop dat de jongen door de storm gedwongen vroege leerlingen waren. Veel bomen
zijn geknakt en het jonge fruit is van de bomen gezwiept. Een feestmaal voor
wormen, slakken en vogels.
In mijn kleine tuintje valt de schade mee. Mijn laatste
nectarines (3) hangen nog en de moestuin is redelijk beschut. Alleen mijn
nep grasmatten vliegen van hot naar haar en ligt vol met de troep uit de buurt.
Gelukkig kan ik mijn gras uitkloppen.
Het wapperende vliegengordijn oogstte veel applaus en oh's
en ah's van mijn kleintjes gisteren. Over de wind kun je leuke verhalen
vertellen. Mijn kleintjes hebben dan ook flink terug geblazen naar de wind.
Ik zou wetenschappers willen vragen om te zorgen voor gemene
stormen op slagvelden. Zand in je ogen maakt de 'vijand' onzichtbaar en zand in
je wapens is geweldig, die doen het niet meer! Mijnen leggen raakt dan uit de
mode want de wind verandert het landschap, je kunt dus niet zeker meer zijn van
je eigen mijnenveld. Tanks willen wel rijden in de woestijn, met zandstormen
zullen ze veel in rondjes rijden, precies zoals we het graag hebben.
Wind is ook goed voor het opfrissen van al die koppen vol
stof en rag. Ik raad alle zelfingenomen politici, ambtenaren en CEO's om
vandaag met de mond wijd open te lopen en de neusvleugels gespreid. Diep in en
uit ademen. Wie dat niet wil of kan, moet de adem maar inhouden tot de storm
helemaal voorbij is. En dan vlug overal windmolens neerzetten, niet meer over
zeuren in dit land van water en wind.
Vanmiddag haal ik mijn kleindochter op van haar
peuterdagverblijf. Dan rijden we naar huis met alle raampjes en het dak open en
moet ze haar armen wijd doen om zo naar huis te vliegen. Ik hoor haar nu al
giechelen. En natuurlijk doe ik net of de storm mij omver blaast tot ze gilt
van de lach.
Hoera, Jules Deelder is maandag
70 geworden. Dat wordt deze hele week nog gevierd. Zo heeft de
nachtburgemeester morgen voor één dag ook overdag het gezag over de stad en
krijgt hij 's avonds van ambtgenoot Ahmed Aboutaleb een dinertje aangeboden. De
Buik (vandaag zelf 1 jaar geworden) interviewde de jarige dichter en icoon over
koken, eten, drinken, stappen, opgroeien en ouder worden in Rotterdam.
Mijn vroegste eetherinnering? Die heeft te maken met
rode kool en spinazie. Rode kool vond ik als kind geweldig, en nou nóg. Ja joh,
met een balletje gehakt en appelmoes, zó! Daar doe je me eigenlijk nog steeds
het meeste plezier mee. Ik zou het ook zeker als galgenmaal kiezen. Spinazie
noemden we koeienpoep, weet je wel, maar dat vond ik ook heel erg lekker.
Hutspot, ook te gek. Met witlof had ik vroeger wel weer moeite, maar dat is
later helemaal goedgekomen.
Uit eten gaan in de jaren
vijftig - joh, dat was wat. Als-ie een week naar de Ardennen ging, dan liep de hele
buurt uit bij wijze van spreken, en zo werd er ook tegen dineren in een
restaurant aangekeken. Maar mijn vader zat als vertegenwoordiger in de
vleeswaren en de conserven, die was wel een geziene figuur in de Zuid-Hollandse
horeca. Hij had als een van de weinigen zo vlak na de oorlog ook een wagen van
de zaak en daarmee reden wij regelmatig naar een van de eerste wegrestaurants
in Nederland, De Gouden Leeuw in Voorschoten. Die was ook toen al beroemd.
Daaruit is die hele Van der Valk-machine ontstaan.
'ROOKWORST, KOLERE, DAAR VREET IK ZO EEN HELE VAN OP'
Nóg een jeugdherinnering:
augurken! We
hadden thuis een depot beneden waarin mijn vader zijn handelsvoorraden
bewaarde. Rekken met worsten, teilen met levers erin, en ook van die grote
tienliterblikken augurken. Ik heb het nog steeds: dat als-ie in een augurk bijt
- dat bepaalde geluid dat je dan hoort en dat het móet hebben. Met rookworst
hebbie dat ook. Enige weerstand en dan knáts. Als dat niet gebeurt doordat zo’n
augurk of worst slap is, dan is het ook gelijk niet lekker meer. Rookworst,
kolere, daar vreet ik zo achter elkaar een hele van op. Een boterham met kaas
idem dito. Als het brood oké is en de kaas is oké dan zijn er weinig dingen die
daar tegenop kunnen.
Maar uiteindelijk gaat er weinig
boven koude witte bonen in tomatensaus. Dat heb ik toen ik in Londen woonde veel gegeten, als
ontbijt. Vaak had je gewoon niks anders te vreten. Ik heb ook in de bajes
gezeten daar, aten we grub - ‘Go get your grub boys!’. Cornish
pastry, dat hadden die Engelsen ook, maar verder?! Nou doen ze net alsof ze
alles van eten weten, maar als er een volk is dat er nooit ene kloot van heeft
geweten... Jóh pleurt op met je geverfde erwten!
Ik ben niet van het koken, maar
ik kan wel een perfect ei garen. Ik ben geen hobbykoker, nee, nee, nee, echt niet. In
de keuken rotzooien - nou nee, nooit gedaan. Annemarie kookt. Die is, ook als
er niks in huis is, in staat om iets lekkers neer te zetten. Eten als resultaat
van een of ander creatief proces? Ik kan het wel waarderen als iemand daar met
hart en ziel mee bezig is, absoluut. En ik mag gaarne van de resultaten
kennisnemen. Zolang het dus maar oprecht is. Want een zeker inflatoir effect
heeft het wel, al die aandacht voor dat eten. Het wordt tegenwoordig ook zo
overdreven hè. Al die rubrieken, de ene na de andere kok op televisie. Tsja.
Mijn favoriete restaurant is er
nog niet. Ik
zou zó graag willen dat er een eetcafé kwam dat De Hongerwinter heet. Dat zou
ik nou leuk vinden, weet je wel, te gek. Ik zweer het je dat ze er de deur gaan
platlopen, jatoch? Echt waar. Dan zet je weer wat recht in de geschiedenis ook,
en zet je hier en daar ook weer eens iemand op een ander been, haha. Hebbie in
één klap dat hele gezeik en dat overdreven gedoe rond eten ook niet meer nodig.
En de gemiddelde mens heeft toch eigenlijk ook de poen niet meer om, zeg, in
Parkheuvel te gaan dineren? Daar heeft de belastingdienst intussen wel een eind
aan gemaakt.
Die jongen van De Zwethheul, ja
bij hem heb ik ook wel eens heel lekker gegeten. Die Mario Ridder ja. Die
had allemaal dingetjes die je met een lepel kon eten. Lékker! En op zich is dat
heel Rotterdams, eten met alleeen een lepel, jatoch? Eten, joh, het is allemaal
prima voor een Rotterdammer, zo lang het maar geen tafelen wordt, en zeker niet
met mes en vork. In mijn gedichtencylcus Rotterdamse Kost wordt
daar wel mee afgerekend: Als-ie niet vreet/ga je dood/wist Opoe Herfst
/106/ al voor ze geboren werd/als-ie het wel doet ook/dient daar voor de goede
orde nog aan te worden toegevoegd. En zo komen we er wel: weer tien
nieuwe gedichten over Rotterdam, en ze gaan dit keer allemaal over eten - hoe
ik er tegenaan kijk, mijn mening.
'IK BEN GEEN FOLKLORISTISCH VERSCHIJNSEL'
Je haalt er maar uit wat je
eruit wil halen, maar ik wil er niet door als een soort folkloristisch
verschijnsel van Rotterdam worden weggezet. Dat gevaar is er toch altijd. Goed, je praat
Rotterdams, ja logisch, je praat de taal die om je heen wordt gesproken, maar
dat je nadrukkelijk wordt gezien als een Rotterdamse dichter, dat mot eruit,
weet je wel. Ik ben een Nederlandse dichter die uit Rotterdam komt. En dat er
hier een anders levensgevoel heerst dan elders in het land, oké, dat komt tot
uiting in die gedichten. Dat kennen ze natuurlijk zelf helemaal niet in
Amsterdam, want daar wonen geen Amsterdammers meer. Maarten Spanjer is de enige
Amsterdammer die ik nog ken, en de rest komt allemaal uit Tietjerksteradeel en
Dinxperlo met de kluiten nog achter de oren.
Drinken doe ik al honderd jaar
gin-tonic. Dat
doet ook iedereen ineens tegenwoordig. In een zaak [Ballroom, red.] in de Witte
de Withstraat hebben ze nu 51 soorten gin. Zo waait dat allemaal over de
wereld, en over een tijdje is het dan weer wat anders. Maar het is goed dat die
trends ook aan Rotterdam niet voorbijgaan. De stad is toch ook lang in zichzelf
gekeerd geweest:, zo van we houen vooral de ramen lekker dicht. Dat chauvinisme
ja, niet buiten de grenzen van de gemeente Rotterdam willen kijken. Met name op
Zuid is dat nog erg, bij die radicale Feyenoordkliek. Als er iets achterhaald
is, is dat het wel. Ze zijn niet kosmopolitisch weet je.
Geen kwaad woord verder over
Rotterdam, maar er wonen een hoop boeren hier. Je moet je ogen niet
sluiten voor de agrarische sector. Die vinden alles gek, doe maar gewoon dan
doe je al gek genoeg. Dat zou dan de belichaming van de Rotterdam-spirit moeten
wezen. Nou, die stelregel heeft ons juist jaren tegengehouden, absoluut. We
hebben een wereldhaven hier, maar dit is nog lang geen wereldstad. Er zijn een hoop
inwoners hier die niet omhoog willen worden gestoten in de vaart der volkeren,
maar liever thuis gaan zitten kankeren.
Ik heb er nooit een geheim van
gemaakt dat ik Rotterdammer ben. Maar dat wil niet zeggen dat ik mijn ogen in mijn zak
heb gehad. Ja, je moet Rotterdam zien als het middelpunt van het heelal, maar
het heelal is uiteindelijk wel altijd belangrijker dan het middelpunt; zo moet
je het ook zien. We kunnen niet een wereldhaven zijn en tegelijkertijd de deur
dichthouden als die wereld op bezoek komt. Dat heb ik altijd gezegd, maar het
is door gasten met een one track mind niet altijd begrepen. Nou ja, aan een
heel groot deel van de wereld is de relativiteitstheorie voorbijgegaan.
WP IS MEER VAN OWOOWOOWOOBLÔHWÔHWÔH
De eerste favoriete bar die ik
noem is Ari. Ja,
ik woon ernaast, en Ger [Koedam, red.] is een goede vriend van me. Daarom. De
overkant [het Westerpaviljoen, red.] daar kom ik nooit, het is daar meer van
owoowoowooblôhwôhwôh, ik ben er misschien drie keer in mijn leven geweest. In
Ari komt van alles. Van een hoop van die gasten hier wil je helemaal niet weten
hoe ze aan de kost komen, maar de bovenwereld kan niet zonder de onderwereld en
omgekeerd, en hier treffen ze elkaar. Zo moet het in een café ook zijn.
Sommigen hier komen van de Balkan, uit al die oorlogen die ze er hadden, maar
bij Ari zijn het wéreldgasten. Het maakt niet uit waar je vandaan komt, en als
je een klootzak bent word je eruit gepleurd. Dat is de enige regel die moet
gelden. Ger is ook geen kastelein, dat is meer een waard.
Goeie tweede is het Schouwtje. Ik realiseerde het me
laatst: godverdomme, daar kom ik al meer dan vijftig jaar, weet je wel. Maar
goed voor de stad dat er op de Witte de With ook een heel nieuwe lichting
horeca gekomen. Zouden er net als vroeger nog ideeën voor de stad worden
gesmeed in de kroegen, of staat iedereen er tegenwoordig echt alleen nog maar
voor eigen rekening op en neer te springen op van die kankerherrie? Want die
muziek van nu bevordert de onderlinge communicatie tussen mensen natuurlijk in
het gehéél niet, hè. Je ken de supermarkt al niet meer binnenlopen of je hoort
van dat bonkerdebonkerdebonk. Hoe zou Ted Langenbach eigenlijk tegenover eten
staan, denk je?
Als ik in de stad terugkom van
een optreden ga ik liever naar huis om daar het plaatje te draaien dat je in de
stad niet meer kunt horen. Goed dat het gebeurt, dat je van alles kunt gaan doen op de
Witte de Withstraat, maar ik hoef er zelf niet meer allemaal aan deel te nemen.
Daar kom je dus wel achter als je ouder wordt: dat je niet bang hoeft te zijn
dat je iets mist, want dat is gewoon echt het geval niet, haha. Op 18 december
bestaat Blue Note 75 jaar, dan ga ik dus wel weer een avondje Blue Note in
Dizzy draaien.
Tuurlijk eet ik regelmatig
buiten de deur, want, húp, je kan hierheen en je kan daarheen, overal! De keuze die je
tegenwoordig in de stad hebt. Ik kom regelmatig bij Sranang voor een broodje
kipkerrie op de Nieuwe Binnenweg, die hebben ook heel lekkere rôti, en pizza’s
halen doe ik ook. Al die eetculturen, dat is een enorme vooruitgang ten
opzichte van vroeger, en iedere Rotterdammer maakt er graag gebruik van.
Accepteer dan ook wat
gemakkelijker wat andere aspecten van al die verschillende culturen, zou je
zeggen. Maar
dat gebeurt dan helaas weer te weinig. Goed, dat is een kwestie van tijd. Er
is, mede door toedoen van de politiek, nog een groot deel van het Rotterdamse
volk dat bang is, maar onder de jongeren leeft die angst voor andere culturen
gelukkig niet meer, daar is het joh rot op met je geouwehoer. Ik ga die gasten
in het gemeentehuis morgen toespreken, ga ik toch effe zeggen dat het afgelopen
moet zijn met die bangmakerij van mensen. Dat ze onderhand worden uitgelachen
door de mensen in de stad, weet je wel.
Ik maak me geen illusies, maar
ik ben wel een optimist. Het gaat goed met Rotterdam, de stad is wat zelfbewuster
geworden en het gezamenlijke gevoel van trots dat er heerst nu is prettig. Ik
ken nota bene Rotterdamse Marokkanen die de schurft hebben aan Amsterdamse
Marokkanen - nou is dat integratie of niet, haha!
26 november 2014
Overgenomen met
toestemming van
Wim de Jong
Editor
De Buik van
Wim schrijft, doceert, presenteert en fotografeert. Hij werkt
als zelfstandig publicist voor onder andere de Volkskrant, Volkskrant Magazine
en Elle Eten.
Jules Deelder is voor mij als Dordtse van geboorte en met een voorliefde voor Rotterdam een heerlijke verschijning. Ik heb iets met de boute duidelijkheid van Jules en met zijn onverbloemd Rotterdammer zijn.
En ook alles wat ik leuk vind deel ik!
Deelder spreekt.... een theatershow....ga er voor zitten 45 minuten kijk en luisterfun
Met mijn dochter even neergestreken voor enkele kopjes
gratis troost in het restaurant van Ikea waar mijn dochter wat stellingkasten
moet scoren voor haar kelderruimte.
Terwijl mijn dochter zaken opzoekt op haar
mobiel, (gezellig 2014) valt mijn oog op een ouder stel dat aan de andere kant
van het restaurant zit.
Wat heeft die dame een apart T-shirt aan! Als ik focus zie
ik dat het geen kleding is maar iets van een tattoo en als ik nog meer focus
zie ik dat er meerdere tattoo's zijn.
Er schiet me zo'n grapje door het hoofd over tattoo's en
oudere mensen maar ik ben toch nieuwsgierig.
Ik maak een foto met mijn mobieltje en vergroot.
Allemachtig. Waarom laat iemand zoveel tattoo's zetten? Is ze getrouwd met een
zeer getatoeëerde zeeman? Of heeft ze bij de Hell's Angels gezeten in betere
tijden? Of vind ze het gewoon mooi? Dat kan altijd natuurlijk.
Als we klaar zijn met de koffie laat ik mijn dochter vast
vooruit lopen ( "hè Mam, doe niet zo raar") en ik ("2
seconden") loop naar het tafeltje van de tattoo-mevrouw.
Ik stel me voor en zeg dat ik geïntrigeerd ben door haar aparte tatoeages.
De vrouw kijkt me lachend aan en geeft haar metgezel een porretje in zijn zij met haar elleboog. Dan zegt ze in het Duits : "Schön, nah?
Ik maak een opmerking over de mooie tekeningen op haar arm (
en dat meen ik) waarop ze haar mouwen iets optrekt en met een mooie en
melodieuze stem, in het Duits, vertelt over het waarom.
Ik vrees dat dit geen 2 seconden gaat duren en wuif naar
mijn dochter die begrijpt dat ze vast door kan lopen.
De vrouw vertelt
dat ze altijd al hield van tatoeages. Ze stroopt nu ook haar broekspijp op en
zegt…."aus meinem Jugend und für meinen verstorbene Sohn habeichmir dieses Tattoo
stechen lassen, mit seine Asche….", waarbij de mouw van
haar T-shirt omhoog gaat.
Op de andere bovenarm is een tattoo te zien voor haar
'verstorbene Mann' ook gemaakt met de as van zijn stoffelijk en gecremeerde
overschot.
Ik hoop maar dat de rest van de kledingstukken op hun
plaats blijven want ook vanuit de V-hals bloeiden enkele sierlijk gekleurde
tattoo's op. Ik vraag aan de dame of ik er foto's van mag maken en of ik die
mag laten zien op mijn blog met het verhaal van de as-tattoo's.
Ze is daar blijkbaar helemaal gelukkig mee want ze
knikte heftig van ja en een traan van
emotie rolt over haar gezicht.
Ik maak snel wat foto's, wens haar sterkte, schud haar
getatoeëerde hand en ga op zoek naar mijn dochter.
Soms zit er iemand met een zichtbaar levensverhaal aan de
overkant van een restaurant van Ikea.
psssst: Tattoe doet me denken aan taptoe en tattoo lijkt veel hipper; tatoeage daarentegen is weer zo'n mooi woord dat ik het voluit en in het Nederlands heb geschreven. Dit alvast voor de taalpuristen
"Nederland heeft dat niet", schreef men bij het artikel, "docenten in Nederland klagen veel en missen de passie."
Waarom de vergelijking tussen Nederlandse en Finse docenten?
Omdat ik wel eens denk dat mijn generatie
de laatste was met gemotiveerde docenten, een brede basis, geen glorieus gebrek
aan Cito-toetsen, zonder pretpakketten. Naar school gaan was gewoon, een mogen
en geen moeten. De dagen werden gevuld en als een docent ziek was had de
collega twee klassen tot de invaller arriveerde. Een docent was iemand die het
leuk vond om kennis over te dragen, het belang inzag van netjes, goed en
foutloos schrijven. En van hoofdrekenen, voorgeschiedenis, aardrijkskundigheden en veel maatschappijleerzaams. In mijn tijd wist iedereen
wat de democratie betekende, wie de minister-president was en hoe de Eerste en
Tweede Kamer functioneerden, toen.
Met gemiddeld 1 uur per dag minder les en een leerplichtige
leeftijd van 7 jaar hebben Finse leerlingen op 15 jarige leeftijd 2000 uur
minder onderwijstijd genoten dan Nederlandse leeftijdgenoten. Toch scoren Finse
leerlingen op die leeftijd gemiddeld veel beter.
Zo is Finland als enig Europees land te vinden in de top 3
van de door Aziatische landen aangevoerde PISA-lijst. Nederland is op deze
lijst pas te vinden op de 11e plek. Wat doen de Finnen anders in hun onderwijs
waardoor het zoveel effectiever is? Wat doen de Finnen anders in hun onderwijs
waardoor het zoveel effectiever is?
Collaboratief versus competitief
Wat opvalt binnen het Finse onderwijsmodel is de vrijheid
die Finse docenten genieten en de samenwerkingscultuur. Dat laatste is een
typisch Finse cultuureigenschap en vormt ook een fundamenteel uitgangspunt van
het onderwijs in Finland. Onderwijs is collaboratief en niet competitief
ingesteld. Scholen hebben niet als missie de beste leerlingen voort te brengen,
maar houden zich meer bezig met hoe leerlingen en scholen kunnen samenwerken om
voor iedereen de beste onderwijskansen te creëren.
Binnen het Finse onderwijs wordt veel maatwerk geboden.
Onderwijsprogramma’s worden niet landelijk, maar per school door docenten zelf
ontwikkeld. De kwaliteit van de docenten bepaalt in Finland de kwaliteit van het
diploma; er worden geen centrale toetsen als de Cito-toets afgenomen en er
vindt geen toezicht plaats door een onderwijsinspectie zoals we dat in
Nederland kennen. Docenten hebben in
Finland veel meer autonomie. Een gunstig neveneffect hiervan is dat per hoofd
van de bevolking de onderwijskosten lager zijn dan in Nederland; docenten doen
veel meer zelf.
Hoog opgeleide docenten
Meer vrijheid betekent ook meer verantwoordelijkheid en
kwaliteit. Dit vraagt om goed opgeleide docenten die beschikken over uitstekende
pedagogische en didactische kennis. Finse docenten, zowel in het basis- als
voortgezet onderwijs, zijn daarom allen universitair geschoold en afgestudeerd
op een wetenschappelijk valide onderzoek.
Deze wetenschappelijke achtergrond heeft grote voordelen. Docenten
hebben de bagage om zelf een verantwoord curriculum te ontwikkelen, toetsen te
ontwerpen en hun eigen onderwijs te evalueren en te verbeteren.
Hier is dankzij de kortere schooldagen bovendien meer tijd
voor. Deze extra tijd wordt ook benut voor betere samenwerking tussen docenten.
Docententeams hebben o.a. tijd om leerproblemen van leerlingen met elkaar te
bespreken, feedback te geven op elkaars lessen en nieuwe plannen te
ontwikkelen.
Status
Docent wordt je in Finland overigens niet zo maar.
Studieplaatsen bij de universiteit zijn beperkt en aan de toelating tot de
opleiding gaat een zware selectieprocedure vooraf. De studie zelf is bovendien
ook nog eens behoorlijk pittig. Het succesvol afronden van de opleiding
verwerft prestige. Docenten in Finland staan hierdoor veel hoger in aanzien dan
collega’s in Nederland. De autonomie die de docenten in Finland hebben, wordt
ook erkend door de samenleving.
Kortom, in het Finse onderwijs staan docenten voor de klas
met een absolute passie voor het vak en zij zijn door hun universitaire
opleiding in staat op effectieve wijze
te onderwijzen en hun vak verder door te ontwikkelen.
Hoe kijk jij aan tegen het Finse model waarvan het succes
voor een zeer belangrijk deel leunt op de academisch geschoolde docenten? Heeft
het Nederlands onderwijs baat bij meer universitair opgeleide docenten?
UIt: Malmberg: leerstijlen en vakdidactiek | internationaal
onderwijs | Mens & Maatschappij | Mens & Natuur | Talen &
Kunstvakken | vrijdag 6 september 2013,
Het is allemaal anders, minder en lager, veelal dommer en
brutaler.
Niet precies waar je het voor doet. Hard werken, goed
opvoeden, kwaliteit proberen te leveren op alle vlakken. Het is een eenzame
strijd. We zijn maar met zo weinigen.
Dit wordt een wat arrogant stukje; als je daar niet
doorheen kunt kijken, kun je nu beter stoppen.
Iets wat ik nooit gedaan heb doe ik nu: 's nachts, piekeren.
Nooit is niet helemaal waar. Ik piekerde wel eens hoe ik van mijn kleine
salarisje twee kinderen moest grootbrengen. Hoe ik aan het eind van de maand
toch dat tientje kon overhouden voor calamiteiten. Tot nu toe is dat gelukt
maar niet zomaar.
Zuinig zijn was troef. Weinig voor mij, alles voor de drie musketiers.
Mijn kinderen hebben eigen levens, zijn selfsupporting en hebben de juiste instelling Ze kunnen, net als ik, lezen en schrijven, rekenen en zijn veelzijdig
en creatief, intelligentsia met een open blik. Ze spreken minimaal drie talen
vloeiend. En elke oprisping van een populaire narrow mind kan ik nog
steeds weerleggen en hopelijk sturen. Tegenwoordig lig ik wakker van de hoeveelheid idioten om me
heen. Ongebreidelde egootjes, nitwitten met een blik van 'dat doe ik even',
beneden gemiddeld intelligent, weinig ontwikkeld, onbereisd en niet belezen.
Zo'n MP als Mark Rutte, heeft hij wel eens ergens anders
gekeken? Hoe het daar werkt? Iets van de grond af opgebouwd? Ik vrees van niet.
Ik vind het een domme papegaai die zijn ambtenaren napraat, zelf geen mening
heeft en zich heen en weer laat duwen. En slecht zijn talen spreekt, slecht
rekent en veel jokt.
De meeste ministers zijn van hetzelfde laken een pak.
Ondeskundig, egotrippend, star en narcistisch. Veel politici kunnen zich bij
die groep voegen, dezelfde makelij. En zo ook zorgbestuurders, schoolleiders, directeuren
van vastgoedcorporaties. Zakkenvullend en vriendendiensten verlenend.
'Gelukkig' vallen ze niet op noch in Europa noch in de rest
van de wereld; het charisma, het normbesef, de eerlijkheid, de empathie
en het IQ en EQ van de 'machtigste 'luitjes is middelmatig, als het dat
niveau al haalt. Liegen en bedriegen, roven en valse beloftes, het is aan de
orde van de dag. Een walgelijke maatschappij is het resultaat.
We zijn middelmatig geworden, las ik in de krant vanmorgen.
De besten moeten zich aanpassen aan de middelmaat. En de
middelmaat is een maat die elke dag een tree lager komt te staan. Om op te
vallen kun je nog hard gaan schreeuwen zoals de populistische ultra-rechtsen,
de fascisten en racisten en de reli- en andere fanatici.
Maar hoe harder ze gaan schreeuwen, des te meer
laten ze zien hoe kort hun stof is.
Het laken voor dat pak is nog niet toereikend voor een korte
broek.
Veel machthebbers spelen met ons leven en de inhoud ervan
zoals kleine jongetjes met autootjes spelen. Hard tegen elkaar aan botsen,
tegen de muur op rijden en dan gierend van de lach 'KNAL' zeggen; nooit hoor je
'KIJK UIT'. Ze kijken niet vooruit. Ook de politici niet.
Dat we geen schulden mogen nalaten voor de volgende
generaties is de grootste onzin die er is. We (de meesten van mijn leeftijd)
hebben het land schuldenarm gewerkt, we zijn zuinig geweest, hebben gespaard
van kleine salarissen. Huis afbetaald, schulden hebben was (en is ) niet
handig. 'Knal', zegt de middelmaat, 'jullie zijn stom, als je
schulden had gehad had je minder belasting hoeven betalen'. De wereld op zijn
kop. Ik werk nu om de schulden van anderen ook nog weg te werken.
Ik protesteer dus op mijn manier.
Heel mijn leven het goede voorbeeld moeten geven. Aan lastige
broertjes, aan medewerkers, aan mijn kinderen, aan de buren, aan collega's, aan
patiënten, aan leerlingen, aan klanten.
Een taak die ik serieus genomen heb en waar ik trots op kon
zijn. Niet altijd gelukt maar wel altijd nagestreefd. Nu bestraft!
Is het zinloos geworden om te proberen om de dingen zo goed
mogelijk te doen?
De middelmaat om me heen maakt dat ik me steeds eenzamer ga
voelen. Ik zal ook wel niet de enige zijn. Van mijn mensen hoor ik dezelfde
klachten als hierboven. Populisme rekent op dat soort gevoelens maar aangezien
populisten heel eenzijdig en vrij dom zijn, vervliegt hun boodschap voor deze
in mijn buurt is. Ik ben domme mensen spuugzat.
Ik heb weinig aansluiting, dat ligt geheel aan mij.
Ik hoef geen tv te kijken want over het algemeen erger ik me
rot aan zoveel dommigheid.
De kranten lees ik nog, als er ten minste iets leesbaars in
geschreven staat. Gebral lees ik ook niet. Ongecheckte feiten check ik meestal
maar zelf.
Ik kan nog genieten van een spitse column, van aangrijpende
muziek, van een goede film en van bijzondere kunst, van intelligente humor en
van een goed geschreven boek. Ik geniet van mijn kinderen en kleinkinderen, van
het geluk van anderen, van mijn vriendinnen en vrienden. Wat dat betreft prijs
ik mij zeer gelukkig.
Helaas is het in mijn omgeving allemaal anders, minder en
lager, veelal dommer en brutaler.
Laten we met het makkelijkste
beginnen. Zomertijd en wintertijd. Hoewel, makkelijk? De eerste dagen van de
wisseltijd tob ik rond met hoe laat was het eerst? Is het ‘nu’ slaapsgewijs van gisteren of niet? Maar
dat slijt. Daar moet ik nog op terugkomen op de slijtende tijd. Help me
onthouden.
Geen tijd. Een zenuwkwaal van dit tijdsgewricht. Kan ook
gevonden worden onder het subknopje moeten. Ik moet zoveel, ik heb geen tijd.
Is er nog iemand die rustig ademt? Hoorde ooit een jonge vrouw beweren dat ze
geen tijd voor zichzelf had. Ze studeerde, ze sportte, zat op yoga, verbouwde
haar kamer, maar geen tijd voor zichzelf. Haha. Voor wie deed ze dat alles dan?
Voor iemand anders? Of was bovenstaande het gebrek aan Libelle- en
nagellaktijd?
Badtijd. Die kan multifunctioneel worden ingevuld. Men drijf
en dobbert en belt oude vrienden tot het water te koud wordt en het vel
verfrommelt. Daarna geen werktijd want moe van het bad. Schoon met vriendinnen,
maar het bed roept. Dus bezint eer ge begint.
Verleden tijd. Hoe ouder je wordt, hoe veel meer verleden je
hebt, en hoe minder toekomst. En dat is maar goed ook. Want laten we wel wezen,
hoe ouder je wordt, hoe dommer de jeugd en hoe drukker het verkeer. Een feit.
En wie doet nog wat jij wil? Je kan thuisblijven en mopperen. Je kan roepen
vroeger was het anders. Maar
later is rustig je graf in. Of erger, die griezelige verbrandingsoven. Maar in
ieder geval pijnloos eeuwig stil zijn. Dan ben jij verleden tijd. Als ze het
nog over je hebben tenminste. Want als het doodstil blijft, heb je ook niet
bestaan en dat is voor onze huidige grote ego’s een te vreeswekkend
vooruitzicht.
O ja, de slijtende tijd. Je wist niet als kind dat je een
vermoeide grootmoeder zou worden. Je wist niet dat botten gaan kraken, dat
spieren knarsen, dat de rug, vooral de onderrug, een oude zeur wordt. Zeker als
je kinderen wilt optillen om te knuffelen en kietelen.
En je geheugen slijt en
de vrees bestaat dat je gaat denken: zeg, ik dementeer toch niet nu al?De komende tijd. Ik ben maar weer bezig met lijstjes van
alle dingen die ik niet meer kan worden. Astronaut. Topwetenschapper. Meryll
Streep. Clairy Polak. Jurist. Beroemde romanschrijver. Pianist.
Schoonheidskoningin. Om maar een paar dringende zaken te noemen.
Komende tijd. Het ongezellige slijten zal groeien. Later als
ik groot ben word ik een oude zeur. Dat zat niet in het grote planboek. Wijs
hadden we gehoopt. Maar daar hebben we geen tijd voor, want we moeten de trap
op. We moeten leuk bezoek ontvangen, terwijl we in bed willen liggen om tv te
kijken. En daar word je niet wijzer van.
Alle tijd. Wat doe je ermee? Het verschil tussen hebben en
zijn.
Ach tijd... Hoe ouder je wordt hoe sneller de tijd. Dat is
aardig als je zelf niet meer kan rennen. En met meer tijd krimpt gelukkig het
zo nodig moeten.
Enkele keren per jaar trok mijn vader vanuit de Randstad met
zijn autootje en stapels stencils, getypte vellen en foto's naar Enschede. Hij
maakte de folders voor de Gastrovino-leden: met prachtige kleurenfoto's
geïllustreerde reclame voor wijnen en delicatessen.
De weken die daaraan vooraf gingen werden we vaak
geconfronteerd met een gespannen vader. Naast het vakkundig leiden van zijn
delicatessen- en wijnhandel was hij een begiftigd fotograaf en tekstschrijver
en een perfectionist in alles. Hij was al heel jong begonnen met het
reclamewerk voor diverse inkooporganisaties en eigenlijk ging daar ook zijn
voorliefde naar uit.
Het zet- en drukwerk werd gedaan door een drukkerij in
Enschede (de naam ben ik helaas kwijt) die ook boeken drukte. De gestreste
vader werd om deze reden door mij voor lief genomen want als hij terug kwam uit
Enschede had hij altijd boeken bij zich.
Mijn vader (een kruidenierszoon die nooit geld over de balk
gooide) kocht altijd een stapeltje boeken voor mij, met enorme korting. Vaak
zat de kaft er ondersteboven omheen of ontbraken de cijfertjes van de pagina's.
Soms was het boek niet goed opengesneden. Ik maalde daar niet om. Samen sneden
we de boekjes open. De omgekeerde kaften nam ik voor lief en ik had de pagina
nummers nergens voor nodig.
Er zat van alles tussen die boeken. En zo had ik, voordat ik
naar de middelbare school ging de Griekse mythen en sagen al gelezen. En veel
sprookjes boeken: de sprookjes van de gebroeders Grimm maar ook een
kinderbijbel. En een volksverhaaltje uit Enschede: het Aamsveen, ondersteboven ingebonden.
Die drukker en waarschijnlijk uitgeverij uit Enschede heeft
dus zonder het te weten een behoorlijke bijdrage geleverd aan mijn
intellectuele niveau.
Zo heb ik geleerd dat als je een boek op de eerste bladzijde
openslaat je niet noodzakelijkerwijs het begin van het verhaal te lezen krijgt!
Kamerdebatten volgen met mijn grootmoeder Anna was net zoiets als samen met haar kijken naar schaatswedstrijden, ze was altijd vóór. Vóór Art en Keessie en vóór de beste politici. Ze had zeker een duidelijke politieke voorkeur maar kon genieten van goede sprekers van welke politieke partij dan ook. Wie zijn vragen en antwoorden mooi formuleerde met kwinkslag en dubbele bodem, had haar applaus al in zijn zak.
“Kijk”, zei ze, “dat is een debat, goede argumenten op tafel leggen en als je die niet hebt je slechte argumenten zo verwoorden dat het prachtige argumenten lijken”. En ze kon de meest geslepen politici er zo uithalen, de anderen werden door haar gecorrigeerd vanaf de bank in de voorkamer. “Nee jochie, dat had je nu niet zó moeten zeggen, nu zet het geen zoden meer aan de dijk”, en dan legde ze me uit waarom niet.
Mijn grootmoeder Anna is de kleinste (rechts)
Soms vraag ik me af of ze alles wel begreep, maar dan tik ik me op de vingers. Ik begrijp niet alles, zíj begreep het wel. Het was simpel. Er moest iets door de kamer en als dat niet zomaar ging, werd er over gedebatteerd. Oma was voorzitster geweest van de regionale Bond voor Plattelandsvrouwen en onderwijzeres, één van het oude stempel. Dat hield in dat ze altijd leiding of les gaf, met argumenten en een goed verhaal. Ze kon nog echt vertellen en had een enorme woordenschat. Zij begreep het allemaal heel goed, het was een intelligente en geëmancipeerde vrouw die de kranten las en naar het nieuws en de actualiteiten luisterde. En altijd, zonder uitzondering, de kamer debatten volgde.
Maar bij het crisisdebat van gisteren had ze waarschijnlijk met haar handen voor haar oren gezeten; ik hoorde haar gewoon zeggen: “Potjandorie, wat een slechte sprekers en wat een minimaal gebruik van onze toch zo rijke taal!” En de aanwezige leden van het Kabinet had ze links én rechts om de oren geslagen met correcties.
Helaas, Anna is er niet meer en op avonden zoals gisteren mis ik haar bitter! Ik mis het om vragend naar haar te kunnen kijken, zo met opgetrokken wenkbrauwen en dat ze daar dan op zou reageren met de woorden: ’Wat een toestand in Marokko’.* Hetgeen aangaf dat het wel een erg rommelige situatie was, rommelig en ook wel zorgwekkend! En daarna zou ze me uitgelegd hebben wat er allemaal fout ging.
Ik zie de prioriteiten wel van de partijen, het opportunisme en de onmogelijkheden. En de tegengestelde belangen. En ook wel wat er fout gaat. Maar het gaat niet meer om de goede formulering van de argumenten, het gaat om eigenbelang, narcisme, stampvoeterij en starheid.
Er waren, volgens mij, slechts enkele goed gebekte Kamerleden: Kant, Halsema en ook nog wat heren die het voorbeeld van de dames volgden. Wilders viel uit, letterlijk en figuurlijk, die moet eerst leren lezen en praten. Oma zou op het moment dat hij het op een schreeuwen zette, een plaspauze hebben ingelast. Ik had wat dat betreft gisteren meer thee moeten drinken, veel plaspauzes……